13 september 2016

IJdeltuit met zelfspot

Door Stefan Ruiters

Er zijn zoveel schrijvers en boeken die ik nog wil/moet lezen. Leesschuld, noemt Maarten Asscher dat. Al die boeken die je ooit gekocht hebt en je nu vanaf de boekenplank aanstaren: pak mij, lees mij, je hebt me toch gekocht om te lezen! Maar ook, als ik het me goed herinner, schreef hij dat het fijn is dat die boeken – ook ongelezen – in de buurt zijn om elk moment gepakt te kunnen worden. De boeken zijn je nabij. En dat is goed. Ik kwam bij een inkoop zelfs een boek tegen met de titel The New Lifetime Reading Plan. Een leesgids voor een lezend leven van de canonieke boeken. Ik ben niet klassiek opgeleid. Dus ik heb me eigenlijk nooit iets aangetrokken van de plicht om de Klassieken te lezen. Ook moderne klassiekers en Nobelprijs-winnaars laat ik meestal liggen: De man zonder eigenschappen van Robert Musil, De Toverberg van Thomas Mann, Moby Dick van Herman Melville. Ik zou ze best willen lezen, maar er zijn zoveel andere boeken die mijn aandacht vragen.

Toch pakte ik deze week zo’n schrijver: Harry Mulisch (Vullis noemde we hem ook vaak, wij onwetenden): ook veel te weinig van gelezen. Ik zag Voer voor psychologen en pakte het van de plank. Oorspronkelijk uitgegeven in 1959. Bijna 60 jaar geleden. Een paar jaar voor Ik Jan Cremer (1963) waar iedereen het over had als een egotrippend boek, een schelmenroman. Tja, lees dan Voer voor psychologen maar eens en wordt meegesleept naar alle uithoeken van de uitdijende geest van Harry Mulisch. Wat een brille, wat een stijl en humor. Hij ontleedt zijn eigen schrijverschap en persoonlijkheid op meesterlijke wijze. Men verweet Mulisch vaak ijdeltuiterij. Maar ook al was hij een ijdeltuit, hij was er een met zelfspot. Een Narcissus die zijn eigen blik in de vijver eens goed bekeek en erom kon lachen. En hij mocht ook zelfvoldaan zijn. Zeker als je zo magistraal weet te spelen met zelfbeeld, het wereldbeeld, geschiedenis en verbeelding in aforismen, herinneringen en fantasieën. Dan verbleekt Ik Jan Cremer toch wel als een eendimensionaal weglezertje in het genre Colt 44 en Arendsoog. In dit land van klein houden kon een schrijver als Mulisch met een geheel eigen creatie van een literair universum ten onrechte wat mij betreft rekenen op veel hoon en scepsis. Op pagina 19 van Voer voor psychologen staat: ‘Ik wilde gangster worden, en weldra heilige, – maar omdat ik het alle twee tegelijk wilde, of althans te kort na elkaar (want alle rechtgeaarde heiligen hebben een succesrijke carrière als gangster achter de rug) werd ik niets.’ Heerlijk. Acceptatie, bewondering van een superieure geest, daar heb ik helemaal geen moeite mee.

 

 

Recent

Literair Nederland - 10 jaar geleden

28 mei 2007

´Het eerste bezoek was een klucht. Niet zomaar banaal lachen en dijen kletsen. Nee, het was, hoe meer ik erover nadenk, de verfijnde onderbroekenlol van een oude professor die te midden van kunst en antiek plotseling tegen me zei: ´Laat uw broek maar even zakken.´´

´Het eerste bezoek was een klucht. Niet zomaar banaal lachen en dijen kletsen. Nee, het was, hoe meer ik erover nadenk, de verfijnde onderbroekenlol van een oude professor die te midden van kunst en antiek plotseling tegen me zei: ´Laat uw broek maar even zakken.´´

Wie had ooit gedacht dat deze aanlokkende openingsalinea door ons eigen Peter Brusse werd opgeschreven? Brusse, bij het grote publiek voornamelijk bekend als voormalig buitenlands correspondent voor de Volkskrant en het NOS Journaal in Londen maakt met het vlindernet zijn debuut als romanschrijver.

Lees meer