21 april 2016

Hond dood en de winter voorbij

Door Inge Meijer

Begripvolle en tedere woordkunstenaar gezocht. Ik had er behoefte aan. Het werd Als de winter voorbij is van Thomas Verbogt. Verbogt is een schrijver die met de schikking van woorden naar de betekenis van de dingen en de aard van de mensen zoekt. Hij speelt met woorden, hij herplaatst of herhaalt ze waardoor ze hem op een of andere manier bij de dingen brengen waarvan hij niet wist dat hij het zocht, en jij, de lezer had ook geen idee. Hij schrijft ergens: ‘Je weet dat ik altijd geschreven heb om ergens bij te komen, meer dan om iets weer te geven.’ Bij Verbogt weet je nooit waar hij met je heen wil. Het punt van aankomst kan daarom schokkend zijn.

Over zijn pleegzus gaat het, gevonden in 1944 als tweejarige peuter langs het spoor in Duitsland en opgevangen door zijn ouders. Voor Verbogt, die acht jaar later geboren is, was zij een grote zus. Hij beschrijft hoe rustig en afstandelijk ze is. Er is iets met zich niet kunnen hechten. Ze kiest haar eigen weg en in 1962 vertrekt ze naar New York. Dit afscheid is van grote invloed op het leven van de negenjarige Thomas, dat traumatisch uitpakt als je op pagina 32 totaal niet voorbereid leest dat Becky in de trein naar Rotterdam zat die even na negenen in de ochtend in botsing kwam met een andere trein bij Harmelen. En dat 93 mensen het niet overleefden, waaronder Becky.

Toen ik dat las, zat ik op de wc en sprak geschokt: ‘Verdorie Verbogt, kon dat niet anders,’. Het was iets met vals sentiment en dat wat echt gebeurd al verzonnen genoeg is, maar dan anders. Dit kon ik er niet bij hebben nu Hond net dood was.

De impact van de dood van Hond was onverwacht. Ze kon niet meer lopen maar scheen het niet echt een probleem te vinden. We zeiden: ‘Dat is geen hondenleven meer.’ We zeiden: ‘Het is goed zo.’ In even zoveel bewoordingen zeiden we: ‘We gaan niet sentimenteel doen. Want Hond was een echte hond. Maar jee, wat moesten we met onze tranen, toen Hond stil in haar mand lag en het leek of ze zo haar ogen zou opslaan om te zien of het al tijd was voor het een of ander. Zoals bij alle doden. Dat het lijkt dat, als je lang kijkt, ze hun ogen opslaan of hun hand opsteken en ‘Hoi’ zeggen, en dat je dan in een zenuwachtig lachen uitbarst.

Hond was een levende herinnering aan onze jaren in Noord-Portugal. We vonden haar op een dag dat het onbetamelijk regende, langs de kant van de weg ergens tussen Seia en Viseu. We namen haar mee naar ons huis aan de voet van de Serra da Estrela, waar ze buiten leefde, en sliep in een hondenhok zoals echte honden dat doen. Bij gebrek aan vriendjes, werd Hond de speelkameraad van Dochter en Zoon, zoals je dat wel in Disneyfilms ziet, maar dit was echt. Zeven jaar later namen we naast een paar liter olijfolie, Hond als enige Portugese aandenken mee naar Nederland. De olijfolie was snel op. Hond bracht het tot deze week, waarin ik Als de winter voorbij is las en het acht jaar geleden was dat we haar mee naar Nederland namen.

We begroeven Hond op het land van een bevriende boer. En verder maar weer want ik probeer ergens bij te komen maar weet niet hoe dat weer te geven. Dat heeft te maken met sentiment en de echtheid van de dingen die gebeuren.

 

Recent

21 maart 2017

Intrigerende zwakheden

20 maart 2017

De zee in Tilburg

Literair Nederland - 10 jaar geleden

26 maart 2007

Zonder dat hij het wist, keek ze hem telkens na als hij voorbijkwam, de winkelierster, langs de zaak, soldaat Brû. Hij liep daar heel ongedwongen, in zijn vrolijke kaki klof, met zijn haar, tenminste wat er onder de kepie van te zien was, zijn haar keurig geknipt en nagenoeg glanzend, zijn handen langs de naad van zijn broek, handen waarvan de ene, de rechter, met onregelmatige tussenpozen omhoogging om een superieur te eren of de groet van een gedemilitariseerde te beantwoorden. Niet bevroedend dat hij elke dag door een bewonderend oog werd vastgepind op de weg die hem van de kazerne naar het bureel voerde stapte soldaat Brû, die in het algemeen nergens aan dacht, maar als hij dat toch deed dan het liefst aan de slag bij Jena, stapte soldaat Brû voort met de onbevangenheid van een niet-bewuste. Met zijn niet bewust grijsblauwe ogen en zijn niet bewust elegant omwikkelde beenkappen droeg soldaat Brû heel naïef al het nodige met zich mee om in de smaak te vallen bij een jongejuffrouw die niet helemaal jong meer was en ook niet helemaal juffrouw. Het ontging hem.

Zonder dat hij het wist, keek ze hem telkens na als hij voorbijkwam, de winkelierster, langs de zaak, soldaat Brû. Hij liep daar heel ongedwongen, in zijn vrolijke kaki klof, met zijn haar, tenminste wat er onder de kepie van te zien was, zijn haar keurig geknipt en nagenoeg glanzend, zijn handen langs de naad van zijn broek, handen waarvan de ene, de rechter, met onregelmatige tussenpozen omhoogging om een superieur te eren of de groet van een gedemilitariseerde te beantwoorden.

Lees meer