30 augustus 2016

Het ritme van inkt en witregels

Door Stefan Ruiters

In een boek uit de jaren tachtig stond een foto van de bibliotheek van Het Vredespaleis in Den Haag. De foto bracht me terug naar mijn tienerjaren. De jaren van boeken en muziekplaten, en later cd’s lenen in de plaatselijke bibliotheek. Op de foto is een bruin interieur te zien, behangen met boekenkasten en lange tafels met het blad rood bekleed. Grote brillen op de neuzen van de aanwezigen, evenals hun oversized truien en jasjes in felle kleuren, groen, blauw en geel. Op de tafels stapels boeken om de lezers heen. Mensen zitten met hun neus in de boeken en pen in de aanslag om notities te maken.

Geen laptop, smartphone of computer te vinden. Alhoewel, op de flap van het stofomslag van het boek is wel een auteursfoto te vinden: triomfantelijk houdt de schrijver van het boek en bibliothecaris van deze bieb, pen en papier omhoog maar hij leunt wel half op een klein computerscherm met grote bak erachter en een toetsenbord ernaast.  De gebruikers van de bibliotheek moeten het nog doen met pen en papier, maar het Opperwezen van de Collectie staat al wel met één been in de digitale tijd.

Tien jaar later, halverwege de jaren negentig, toog ik met een hele zware laptop met de fiets en metro naar een gebouw naast het Amsterdams Medisch Centrum, om in het depot van de Universiteitsbibliotheek, op aanvraag, kranten uit de jaren vijftig in te zien, studiemateriaal voor mijn doctoraalscriptie. Het af en toe oprispende, ronkende geluid van de laptop kan ik nog steeds oproepen. Daarop tikte ik mijn doctoraalscriptie, ook al gebruikte ik toen nog geen email om mijn hoofdstukken te versturen. Ik kopieerde de pagina’s en fietste ze naar het faculteitsgebouw. Door mijn vorderingen te kopiëren ontstond een prettige bijkomstigheid: de bladspiegel moest worden opgemaakt, de letter en de lettergrootte moesten gekozen worden. Als het op papier afgedrukt was, keurde ik het als een letterknecht in een zetterij.

Om hetzelfde grafische plezier schreef ik gedichten. Ik was misschien wel meer bezig met het ritme van inkt en witregel dan met de poëtische inhoud. Het voelde alsof ik een ambacht uitoefende op mijn eigen wijze en op een nieuwe manier: via het scherm van mijn laptop. De visuele poëzie is in die zin het summum van grafisch visueel plezier: letters op een dansende cadans op het papier gezet, nog steeds ongeëvenaard uiteraard te bewonderen in Bezette Stad van Paul van Ostaijen uit 1921. Ik keek net tussen mijn eigen boeken en in de database van mijn boekwinkel: jammer, geen exemplaar van Bezette Stad of Van Ostaijens Verzameld Werk. Gelijk maar even besteld via Boekwinkeltjes.nl. Want het is goed geregeld terug te keren naar je eerste schreden op het pad waarop je nog steeds gaat, zonder te weten waar je uitkomt.

 

 

Recent

21 maart 2017

Intrigerende zwakheden

20 maart 2017

De zee in Tilburg

Literair Nederland - 10 jaar geleden

26 maart 2007

Zonder dat hij het wist, keek ze hem telkens na als hij voorbijkwam, de winkelierster, langs de zaak, soldaat Brû. Hij liep daar heel ongedwongen, in zijn vrolijke kaki klof, met zijn haar, tenminste wat er onder de kepie van te zien was, zijn haar keurig geknipt en nagenoeg glanzend, zijn handen langs de naad van zijn broek, handen waarvan de ene, de rechter, met onregelmatige tussenpozen omhoogging om een superieur te eren of de groet van een gedemilitariseerde te beantwoorden. Niet bevroedend dat hij elke dag door een bewonderend oog werd vastgepind op de weg die hem van de kazerne naar het bureel voerde stapte soldaat Brû, die in het algemeen nergens aan dacht, maar als hij dat toch deed dan het liefst aan de slag bij Jena, stapte soldaat Brû voort met de onbevangenheid van een niet-bewuste. Met zijn niet bewust grijsblauwe ogen en zijn niet bewust elegant omwikkelde beenkappen droeg soldaat Brû heel naïef al het nodige met zich mee om in de smaak te vallen bij een jongejuffrouw die niet helemaal jong meer was en ook niet helemaal juffrouw. Het ontging hem.

Zonder dat hij het wist, keek ze hem telkens na als hij voorbijkwam, de winkelierster, langs de zaak, soldaat Brû. Hij liep daar heel ongedwongen, in zijn vrolijke kaki klof, met zijn haar, tenminste wat er onder de kepie van te zien was, zijn haar keurig geknipt en nagenoeg glanzend, zijn handen langs de naad van zijn broek, handen waarvan de ene, de rechter, met onregelmatige tussenpozen omhoogging om een superieur te eren of de groet van een gedemilitariseerde te beantwoorden.

Lees meer