27 augustus 2017

Vonkt – Marije Langelaar

Het echte vuur van deze bundel zit in het ongemak

Recensie door Maarten Buser

Marije Langelaar weet hoe ze een gedichtenbundel moet beginnen, in: ‘Ik werd wakker dat jaar aan het strand / mijn vogellichaam / sterk vermagerd. // Ik schrok van mijn vriend die naast mij lag. / Volledig van zand. / Begon hem zachtjes te graven.’ In de eerste zes regels van ‘Zand’ worden al veel intrigerende lijnen uitgezet, eigenlijk vooral door vragen op te roepen. Is de ‘ik’ een vogel geworden of altijd al geweest, en wat doet ze hier op het strand, dus op de grond? Prachtig gevonden is de formulering ‘hem zachtjes te graven’: moet hier ‘[in] hem’ gelezen worden, ‘hem zachtjes [in]/[uit] te graven’, of zelfs ‘te [be]graven’? De laatste drie opties zijn logisch, gezien de strandsetting, maar de eerste lijkt minstens zo mee te spelen:

Wij vonden vele zaken, voorwerpen, substanties, / het allervieste en eveneens een woord / tussen de zandhersens geklemd’.

‘Zand’ is de opmaat voor het vaak beklemmende eerste deel van Vonkt, ‘Een afgrond omsingelen’. Langelaar laat daarin de taal én beelden ontsporen – want hoe moet je eigenlijk een afgrond omsingelen? – om een surreële, ongemakkelijke sfeer neer te zetten. Formuleringen zijn vaak voor verschillende uitleggen vatbaar, zoals ‘Tellen de dagen dat het zin heeft’: is dit een ‘[We t]ellen’ of moet je ‘m parafraseren als ‘De dagen tellen (als in: meetellen) dat het zin heeft’? Het mooie is dat beide invullingen naast elkaar lijken te kunnen bestaan. Met een paar woorden weet Langelaar veel betekenis te genereren. Ook neologismen als ‘wolvenschrik’ of hard aankomende regels als ‘Had ik maar een nek en een bijl en een schuur’ dragen bij aan een donkere, mysterieuze sfeer: in het geschetste gezin is iets niet goed in de haak, al wordt nooit helemaal duidelijk wat precies.

In het tweede deel lijken die problemen van tijdelijke aard te zijn geweest. Het surreële wordt eerder mythisch of religieus van aard, zoals in ‘Trommel’ waarin muziek aan het begin lijkt te staan van het leven als een soort letterlijk de la musique avant toute chose:

‘Bij elke slag vlogen de vogels op. / Bij elke vierde noot ving een nieuw seizoen aan. / Bij elke 16e noot wierp ik een kind. […] Paf paf paf! De vogels vliegen op. / Paf Paf Paf! / Een nieuw seizoen. / Paf Paf Paf! / Weer een kind. / Paf Paf!’

Echter, het blijft niet goed gaan: ‘Maar het kind bleef uit.’ De trommel wordt niet meer geslagen en er volgt uiteindelijk een fragment dat aan Adam en Eva herinnert op het moment dat ze zich bewust worden dat ze naakt zijn:

‘En we vroegen ons af, wie had ons in de eerste plaats de trommel gegeven? / Wie had ons geboden te slaan? Had ons die vogels gebracht, de bomen?’

Muziek en dieren blijven een rol spelen in deze afdeling, maar het donkere blijft. In een gedicht over een pratende kat wordt de lezer bijvoorbeeld heerlijk ruw aangesproken: ‘Aha denkt u weer zo’n sprookje waarin de dieren / met elkaar praten’.

Het derde deel, ‘Love songs for the Absolute’, overtuigt minder. De beklemming van de eerste twee afdelingen maakt plaatst voor een vaak geëxalteerde toon, inclusief uitroeptekens. Een overgang daartussen is te vinden in het mooie gedicht ‘Het Oog’, dat sterk herinnert aan Odilon Rendons tekening waarin een oogbol een luchtballon is geworden en zo een alwetende uitstraling heeft gekregen. In Langelaars gedicht hangt er een oog in de kamer, en dat roept vragen op als ‘Is het god?’ Het is niet duidelijk hoe met dat oog om te gaan:

‘Ik wist niet wat te doen, mocht ik opstaan? Moest ik / spreken? Pleiten voor iets? Mijn leven verdedigen of / toelichten?’

Maar tegen het slot van heet gedicht smelt de ‘ik’ samen met het oog (of zoals Langelaar het zegt: ‘ik smolt in het oog’), stijgen ze tezamen op en kijken naar alles dat er te zien is. Het blijde uitroepen dat daarop volgt is in ‘Het Oog’ nog vrij beheerst, maar Langelaar zit in andere gedichten vaak echt op het randje. Neem bijvoorbeeld het bijna-titelgedicht ‘Vonk’:

[…]
Vlammend en trillend begaf ik mij naar huis, ging
vlammend en trillend in mijn bed liggen. Viel in een
vlammende en trillende slaap werd vlammend en
trillend weer wakker.
[…]
Ik wilde alle mensen aanraken en bevestigen er is
een vonk in u schreeuwen. En zo slijt ik mijn dagen
tegenwoordig ja nogal een contrast met hoe ik ooit
doof blind stom en leeg begon.
Nu bedenk ik hinkel- en andere kinderspelletjes en
bij elke sprong op de stoep roep ik hard en
eenvoudig Vonk! Vonk! Nu!

Het enthousiasme van de verteller is zo aanwezig dat het niet helemaal wil overslaan. Om in de terminologie van ‘Vonk’ te blijven: veel gedichten in ‘Love songs for the Absolute’ willen net niet vonken of vlammen. Woorden worden minder economisch ingezet, gedichten waaieren uit en de taal stokt minder. Bovendien: het ongemakkelijke en het donkere ontbreken vaak, terwijl zij een goed contrastpunt voor het al te geëxalteerde hadden kunnen zijn. De subtiele metamorfoses in een hert of in een stoel zijn fraai, maar halen het uiteindelijk niet helemaal bij het panische, angstige ‘Houd je schil vast’ (uit de eerste afdeling), dat nog eens laat zien dat het echte vuur van Vonkt in het ongemak zit:

Laat je niet lichten houd je schil vast
houd je bril vast laat je billen niet los en houd de hand
van de tijd vast en één twee drie kramp nu.
Laat je niet ontkleden houd al je gebeden, hoofdsteden
regels vast, zet je hart in een klem ja zo
bind je hersens vast,

prik wat met je stok
één twee drie kramp nu

ik pas deze jas.

 

Odilon Rendons tekening

 

 

Vonkt
Marije Langelaar
Verschenen bij: De Arbeiderspers
ISBN: 9789029511681
88 pagina's
Prijs: € 17,99

Meer van Maarten Buser:

30 juni 2017

Een magere oogst van vier decennia poëzie

Over 'Zingend naar huis' van R.A. Basart
20 april 2017

Een bundel die afstand schept

Over 'Oden voor komende nacht' van Jacques Hamelink
2 januari 2017

Roman of essaybundel

Over 'Vertrouwde en vreemde dingen' van Teju Cole

Recent

21 november 2017

Reizen in een binnenwereld

Over 'en toen aten we zeehond' van Nicoline Timmer
20 november 2017

Het leven ontwijken

Over 'Kraaien tellen' van Lucas de Waard
17 november 2017

Uitzichtloos leven in Unthank / Glasgow

Over 'Lanark' van Alasdair Gray
15 november 2017

Een portret in stukjes

Over 'Waarom ik mensen niet in mootjes hak' van Renske de Greef
14 november 2017

Diepe emoties in weloverwogen zinnen met originele beelden

Over 'Binnenplaats' van Joost Baars

Verwant

27 augustus 2017

Oogst week 22