6 juli 2016

Bladlof

Door Rob van Dam

Er was eens een tijd dat de nacht pikzwart was en de nachthemel een fonkelend schouwspel dat met stomheid sloeg. Vrees en verwondering hielden de mens in hun greep, een besef van volstrekte nietigheid en kosmische verbondenheid tegelijk:

Als uw hemel ik zie – uwer vingeren werk,
Maan en sterren die gij daar stelde,
Wat is dán de mens dat gij acht op hem slaat.

(Psalm 8, vertaling Ida Gerhardt en Marie van der Zeyde)

Die tijd ligt achter ons en komt nooit meer terug. De hemel boven Nederland zien wij ’s nachts als door een smerig venster. U kunt uw vakantiebestemming kiezen op grond van de afwezigheid van lichtvervuiling, en dan nog krijgt u slechts een flauwe afspiegeling te zien van de sterrenhemel die de psalmdichter voor ogen had.
Alleen op volle zee bestaat het nog. Cees Nooteboom zei eens in een interview: ‘Als ik midden op de Stille Oceaan aan de reling sta en naar de sterren kijk, vraag ik me niet af of ik nog kauwgom heb’.
Is er iets anders dat ons diezelfde ervaring van overweldigende grootheid kan bieden? Iets dat onze aandacht van kauwgom naar de kosmos leidt? Al het water in de zee, alle zandkorrels op het strand? Maar die zijn zo weinig ‘aanwezig’, zo gemakkelijk te negeren.

Ik stel voor: boomblaadjes.
Kijk even uit het raam. Geheid dat u blaadjes aan de bomen ziet. Vijf maanden geleden waren ze nergens te bekennen. Dat alleen al geeft reden tot verwondering. Hoezo ‘doodgewoon’. Hoeveel blaadjes zien wij op een dag? En hoeveel bomen zouden er eigenlijk in heel Nederland zijn? Daar zijn cijfers over. Vraag me niet hoe de geleerden het hebben klaargespeeld – een bron van verwondering op zichzelf – maar de teller stond een paar jaar geleden op 3.040.288.194.283 bomen ‘van meer dan tien centimeter dik op borsthoogte’ op onze hele planeet. Dat zijn er dus ruim 3040 miljard. Daarvan staan er 344 miljoen in ons land. Er zitten natuurlijk ook naaldbomen bij. (Deze cijfers komen uit ‘Nature’ en op YouTube vindt u er een filmpje over. Bedenk wel dat er jaarlijks wereldwijd 15 miljard bomen verdwijnen door menselijk toedoen.)

Maar hoeveel blaadjes heeft nu een boom? In Het bomenboek van Koos van Zomeren lees ik: ‘Een beetje beuk heeft er 300.000’. De schrijver zegt dat in een passage waarin hij zijn licht opsteekt bij een bomenprofessor uit Wageningen. Natuurlijk is niet elke boom ‘een beetje beuk’ maar het geeft een indruk.
Sta er even bij stil. Het rekenwerk laat ik graag aan u over. Begint het u te duizelen? Hier past slechts één woord: ‘ontzaglijk’. Want daar gaat het hier over: ‘ontzag’. Is het niet verbijsterend dat dit verschijnsel zich jaar in, jaar uit aan ons voordoet? Is het niet bizar dat het zich rondom ons afspeelt zonder dat we erbij stilstaan? In Japan is het bloeien van de kersenbomen aanleiding tot ingetogen feestelijkheden. Protestanten kennen een ‘Dankdag voor het gewas’. En het Jodendom heeft Toe Bisjvat, het ‘Nieuwjaar der bomen’.

Er zou veel te vertellen zijn over de rol die boomblaadjes spelen in de Nederlandse poëzie, van het blad als vanitas-symbool bij Adriaan Roland Holst tot het ’doodgewone’ boomblad bij Chris van Geel.
Het mooiste bladgedicht is echter van de grote Guido Gezelle. Bij hem is een blaadje op het water een beeld van de eenheid tussen ziel en godheid, uitdrukking van het zelfde kosmische besef als van de psalmist:

Zoo rompelend en zoo rimpelend
als water
Zoo lag ’t gevallen bladjen op
het water
En m’ ha’ gezeid het bladjen ende
‘et water
’t En was niet ’t een een bladje en ’t an-
der water
Maer water was het bladje en ’t bla-
dje water
En ’t viel ‘ne keer een bladjen op
het water

 

 

Recent

Literair Nederland - 10 jaar geleden

28 mei 2007

´Het eerste bezoek was een klucht. Niet zomaar banaal lachen en dijen kletsen. Nee, het was, hoe meer ik erover nadenk, de verfijnde onderbroekenlol van een oude professor die te midden van kunst en antiek plotseling tegen me zei: ´Laat uw broek maar even zakken.´´

´Het eerste bezoek was een klucht. Niet zomaar banaal lachen en dijen kletsen. Nee, het was, hoe meer ik erover nadenk, de verfijnde onderbroekenlol van een oude professor die te midden van kunst en antiek plotseling tegen me zei: ´Laat uw broek maar even zakken.´´

Wie had ooit gedacht dat deze aanlokkende openingsalinea door ons eigen Peter Brusse werd opgeschreven? Brusse, bij het grote publiek voornamelijk bekend als voormalig buitenlands correspondent voor de Volkskrant en het NOS Journaal in Londen maakt met het vlindernet zijn debuut als romanschrijver.

Lees meer