17 oktober 2016

Herkenning in de kunst

Door Martin Lok

Gezien door de ogen van deze tijd lijkt de strijd tussen de kunsten in de Renaissance, de paragone, een ordinaire ruzie tussen alfamannetjes. Maar dan wel een tussen de crème de la crème van de artistieke alfamannetjes, met als hoogtepunt de schermutselingen tussen Leonardo da Vinci en Michelangelo Buonarroti. Waarbij de eerste de schilderkunst boven de beeldhouwkunst stelde, vanwege het intellect dat nodig is om een voorstelling geloofwaardig in het platte vlak uit te beelden, en de tweede de beeldhouwkunst, omdat de drie dimensionaliteit van beelden de werkelijkheid veel dichter zou benaderen.

Afgelopen zaterdag toonde Wim Pijbes zich in het Gemeentemuseum in Den Haag een ware volgeling van Michelangelo. Hij bekende bij de opening van de tentoonstelling ‘Van Rodin tot Bourgeois; Sculptuur in de 20ste eeuw’, dat voor hem beeldhouwkunst absoluut op nummer 1 staat, omdat je je er als mens zo mooi toe kunt verhouden. En dat blijkt voor Pijbes een cruciaal element van kunst te zijn. Hij vindt dat je je als toeschouwer moet kunnen vereenzelvigen met de kunst die je aanschouwt. Iets dat hij onderstreepte door beeldend kunstenaar Antony Gormley (1950) aan te halen: ‘kunst gaat tegenwoordig niet meer over macht en prestige, maar over participatie’. Voor Pijbes is er geen betere kunstvorm om in te participeren dan beeldhouwkunst, omdat die bijna altijd over mensen gaat. Of je er nu vlak voor staat, er omheen cirkelt of een beeld vanuit de verte aanschouwt; je herkent jezelf altijd onmiddellijk in een beeld. Een stelling die je nu in het Gemeentemuseum kunt toetsen met en weergaloos overzicht van topbeelden uit de twintigste eeuw.

Als beeldhouwkunst de ultieme participatieve vorm van beeldende kunst is, dan is muziek dat misschien wel voor literatuur. Muziek is immers een literaire vorm die je meer nog dan romans of poëzie tot deelname uitnodigt. Luidkeels meezingend of zachtjes neuriënd. Op de fiets, als je aan het koken bent, of onder de douche. Zingen kan je altijd en overal.

In het licht van Gormley’s stelling is het dan ook niet meer dan logisch dat de Nobelprijs voor de literatuur eindelijk eens aan een songwriter is toegekend. Want als ook literatuur tegenwoordig draait om participatie, dan is het tijd dat die prijs naar het gezongen woord gaat, de meest participatieve literaire kunstvorm. Ook al omdat je niet kunt ontkennen dat er geweldig goede, literair hoogstaande songteksten zijn, waaronder die van Bob Dylan, die tot de absolute top van het muzikale woord horen. Daar zijn vriend en vijand het wel over eens.

Dus waarom is er dan zoveel rumoer sinds bekend werd dat Dylan met de hoogste eer ging strijken? Is dat omdat Gormley’s stelling toch niet opgaat voor de literatuur? Dat macht en prestige daar nog immer voorop staan? Of omdat velen het gedrukte woord intelligenter vinden dan het gezongen woord? Zoals Leonardo de schilderkunst hoger achtte dan de beeldhouwkunst? Als dat zo is dan hoop ik dat er snel een Michelangelo uit de muziek opstaat.

 

 

Recent

20 september 2017

In de huid van een leeuwin

19 september 2017

Nieuw leven beschreven

18 september 2017

Dichter van de werkelijkheid

16 september 2017

Een week lang feest

15 september 2017

Een wonderlijk leerdicht 

Literair Nederland - 10 jaar geleden

24 september 2007

"Toen ik jou voor het eerst zag, kwam je voorbijfietsen op een bakfiets waarin je spullen vervoerde. Het was laat in het jaar 1952, in de winter. Ik stond voor het raam van mijn ouderlijk huis in de Wilhelminastraat, waar mijn ouders een hotel-pension dreven, naar buiten te kijken. De Wilhelminastraat heette alweer een jaar of zeven zo. Als jong kind groeide ik op met de Schouwburgstraat, omdat in de oorlog namen van de koninklijke familie waren geschrapt door de Duitse bezetter. Soms reed je wel drie keer per dag op die bakfiets langs. Ik vond je koddig en stoer met je houtje-touwtjejas aan en je mutsje op. Je was toen al een apart type. Ik was vijftien jaar en had wat je noemt een voorspellende blik. Ik herinner mij dat ik, nadat je weer langs was gekomen, mijn moeder vertelde dat wij zouden trouwen en een kind zouden krijgen. Mijn moeder was het gewend dat ik zulke dingen zei. Ik had vaker van die voorspellingen, soms ook over de dood. Dat vond ze eng."

"Toen ik jou voor het eerst zag, kwam je voorbijfietsen op een bakfiets waarin je spullen vervoerde. Het was laat in het jaar 1952, in de winter. Ik stond voor het raam van mijn ouderlijk huis in de Wilhelminastraat, waar mijn ouders een hotel-pension dreven, naar buiten te kijken. De Wilhelminastraat heette alweer een jaar of zeven zo. Als jong kind groeide ik op met de Schouwburgstraat, omdat in de oorlog namen van de koninklijke familie waren geschrapt door de Duitse bezetter.

Lees meer