26 juli 2017

Griekse goden repatriëren

Zomercolumn door Liliane Waanders

Een jaar of wat geleden kocht ik – derdehands: drie voor een tientje – De goden gaan naar huis (1966) van A. den Doolaard. Ik had nog nooit van het boek gehoord, maar het sprak onmiddellijk tot mijn verbeelding. Den Doolaard voert een Griekse archeoloog op, die vindt dat de The Elgin Marbles – de antiek-Griekse sculpturen waar Groot-Brittannië goede sier mee maakt – op de Acropolis horen. Dat vind ik namelijk ook. En net als deze Nikos Grammatikakis heb ik dat ook wel eens hardop gezegd tegen medewerkers van het British Museum. Dat deed ik nadat mij nadrukkelijk naar mijn mening werd gevraagd. ‘Vindt u dat The Elgin Marbles hier horen?’, wilde een van de suppoosten, die mij langer dan de gemiddelde bezoeker langs de friezen van het Parthenon had zien schuifelen, weten. Ik had alle tijd en alle ruimte, het museum was net open, er was verder niemand.
Ik antwoordde naar eer en geweten; en wist zeker dat hij mij die vraag stelde vanwege mijn neus die een opvallende gelijkenis vertoont met die van de meeste tentoongestelde goden.

Ook Den Doolaards archeoloog die eigenlijk geen Griek maar een Kretenzer is, kreeg – hij wendde zich tot dr. Derek Darwin, de directeur van het museum – natuurlijk nul op het rekest. De Britten vinden dat ze alle recht hebben op deze antieke marmeren beelden. Het woord roofkunst komt in hun vocabulaire niet voor en ruiterlijk toegeven dat ze in Athene heel goed zelf voor hun goden kunnen zorgen, is er niet bij. Namens filhelleen Den Doolaard – aan hem kun je met een gerust hart Grieken toevertrouwen: lees Grieken zijn geen Goden (1960); hij kent en doorziet ze, en houd ondanks dat van hen – neemt Nikos Grammatikakis geen genoegen met die Britse arrogantie.

Zelf heb ik ook wel eens nagedacht over manieren om die goden uit het British Museum te bevrijden. Toen ik las dat Cees Nooteboom zijn tachtigste verjaardag in het Rijksmuseum mocht vieren, stelde ik mij zo voor dat ik na afloop van een feestje in die bewuste zaal van het Britisch Museum, mijn gasten uit zou nodigen om na afloop de versiering meer naar huis te nemen. Net zoals bezoekers van het Boekenbal dat gewend zijn te doen.
Overigens is mijn verzet tot nu toe niet concreter geworden dan het onder het toeziend oog van een suppoost doen alsof ik een paard over de neus aai.

Nikos Grammatikakis gaat doortastender te werk. Hij chartert een vliegtuig en laat zich naar Londen vliegen om de goden te halen. Dat is geen science fiction (vanwege het vermoeden dat het science fiction was, liet ik De goden gaan naar huis lang ongelezen, met het etiket dystopische roman kan ik leven), maar wishful thinking. Want anno 2017 pronkt het British Museum nog steeds met andermans ‘stenen’.
Als ik de Grieken was, zou ik tijdens de Brexit-onderhandelingen hoog inzetten en de onvoorwaardelijke teruggave van Parthenonfriezen eisen. Een echte Griek neemt namelijk de woorden The Elgin Marbles niet in de mond.

 

 

Recent

19 september 2017

Nieuw leven beschreven

18 september 2017

Dichter van de werkelijkheid

16 september 2017

Een week lang feest

15 september 2017

Een wonderlijk leerdicht 

14 september 2017

Daar waar granaten fluiten

Literair Nederland - 10 jaar geleden

24 september 2007

"Toen ik jou voor het eerst zag, kwam je voorbijfietsen op een bakfiets waarin je spullen vervoerde. Het was laat in het jaar 1952, in de winter. Ik stond voor het raam van mijn ouderlijk huis in de Wilhelminastraat, waar mijn ouders een hotel-pension dreven, naar buiten te kijken. De Wilhelminastraat heette alweer een jaar of zeven zo. Als jong kind groeide ik op met de Schouwburgstraat, omdat in de oorlog namen van de koninklijke familie waren geschrapt door de Duitse bezetter. Soms reed je wel drie keer per dag op die bakfiets langs. Ik vond je koddig en stoer met je houtje-touwtjejas aan en je mutsje op. Je was toen al een apart type. Ik was vijftien jaar en had wat je noemt een voorspellende blik. Ik herinner mij dat ik, nadat je weer langs was gekomen, mijn moeder vertelde dat wij zouden trouwen en een kind zouden krijgen. Mijn moeder was het gewend dat ik zulke dingen zei. Ik had vaker van die voorspellingen, soms ook over de dood. Dat vond ze eng."

"Toen ik jou voor het eerst zag, kwam je voorbijfietsen op een bakfiets waarin je spullen vervoerde. Het was laat in het jaar 1952, in de winter. Ik stond voor het raam van mijn ouderlijk huis in de Wilhelminastraat, waar mijn ouders een hotel-pension dreven, naar buiten te kijken. De Wilhelminastraat heette alweer een jaar of zeven zo. Als jong kind groeide ik op met de Schouwburgstraat, omdat in de oorlog namen van de koninklijke familie waren geschrapt door de Duitse bezetter.

Lees meer