10 februari 2017

Gewoon thuisblijven

Door Inge Meijer

Ik heb bewondering – die grenst aan adoratie – voor mensen die in stilte hun werk doen, gewoon omdat ze er goed in zijn. Zoals schoenlappers in Coimbra die achter een open venster in de muur zitten te kloppen en tikken op lederen vormen en daarmee een degelijk product weten neer te zetten. Of de tuinman die de leibomen onder handen neemt, hoog op zijn ladder staand, snoeit waar gesnoeid moet worden. Het is de aandacht voor de klus die ze onder handen hebben, wat me bekoort. De trefzekerheid waarmee ze het doen, secuur en kundig. De schoenmaker met de spijkertjes die in de zool geslagen moeten worden tussen zijn lippen, er telkens een uitnemend, op de juiste plaats aanbrengend, erin tikken met de hamer en zo door.

Schrijvers die van niets anders willen weten dan schrijven, liefst met potlood in schriftjes waarin met regelmatig handschrift zinnen worden opgeschreven die gevormd werden door gedachten en beelden die voor het geestesoog van de schrijver verschenen. Die  scheppende interactie tussen geest en papier, waar alles voor wijken moet. Daar is waar mijn adoratie ontstaat; dat alles er voor moet wijken. Dat je alleen nog maar kunt leven in je boeken zoals Slauerhoff schreef ‘In mijn gedichten wil ik wonen’. Dat is het hoogste wat je als schrijver kunt bereiken. Leven als schrijver is schrijven in alles.

Dat zou ik ook wel willen, me op zolder of in een schuurtje terugtrekken met alleen een stoel en een ruwhouten tafel. Mijn lief en kinderen laat ik achter in het huis, daar vermaken zij zich wel. Af en toe steek ik mijn neus om de hoek voor een verschoning of een boterham. Geen andere uitstapjes dan naar boekhandels en kringloopwinkels voor leesvoer en schrijfgerei.

En dan zeggen: ‘Ik deugde nergens voor, toen ben ik maar gaan schrijven.’ Bij veel schrijvers die dit zo stellen, klopt het; zij zijn voor het schrijverschap bedoeld. Ze zetten er alles voor in, een goed huwelijk past daar niet bij. Niet bij de schrijvers die ik voor ogen heb. Jeroen Brouwers dus, die ook ergens in een interview zei dat hij nergens geschikt voor was en toen maar is gaan schrijven. Van Brouwers geloof ik het meer nog dan van enig andere schrijver.

In de jaren tachtig was mijn adoratie voor deze schrijver zo nijpend dat ik naar de boekpresentatie van De zondvloed moest. Ik hield niet van boekpresentaties. Ik meed ze als zijnde gênante vertoningen waarbij de schrijver wordt ingezet als USP (unique selling point) wat beneden hun waardigheid is. Er was een podiumpje op het trottoir waarop Brouwers wat ongelukkig van zich afkeek. Later vormde zich een rij voor de signeersessie. Met verkrampte glimlach en het zweet op zijn voorhoofd keek hij steeds opnieuw op en signeerde zijn boek. Beter was het dat de schrijver – gelijk een koning – na gedane arbeid gewoon thuis bleef en een wandelingetje maakte in zijn tuin of omliggende landerijen en zich daarna voor de haard een goed glas wijn liet serveren. En dan gewoon door.

 

 

Recent

21 maart 2017

Intrigerende zwakheden

20 maart 2017

De zee in Tilburg

Literair Nederland - 10 jaar geleden

26 maart 2007

Zonder dat hij het wist, keek ze hem telkens na als hij voorbijkwam, de winkelierster, langs de zaak, soldaat Brû. Hij liep daar heel ongedwongen, in zijn vrolijke kaki klof, met zijn haar, tenminste wat er onder de kepie van te zien was, zijn haar keurig geknipt en nagenoeg glanzend, zijn handen langs de naad van zijn broek, handen waarvan de ene, de rechter, met onregelmatige tussenpozen omhoogging om een superieur te eren of de groet van een gedemilitariseerde te beantwoorden. Niet bevroedend dat hij elke dag door een bewonderend oog werd vastgepind op de weg die hem van de kazerne naar het bureel voerde stapte soldaat Brû, die in het algemeen nergens aan dacht, maar als hij dat toch deed dan het liefst aan de slag bij Jena, stapte soldaat Brû voort met de onbevangenheid van een niet-bewuste. Met zijn niet bewust grijsblauwe ogen en zijn niet bewust elegant omwikkelde beenkappen droeg soldaat Brû heel naïef al het nodige met zich mee om in de smaak te vallen bij een jongejuffrouw die niet helemaal jong meer was en ook niet helemaal juffrouw. Het ontging hem.

Zonder dat hij het wist, keek ze hem telkens na als hij voorbijkwam, de winkelierster, langs de zaak, soldaat Brû. Hij liep daar heel ongedwongen, in zijn vrolijke kaki klof, met zijn haar, tenminste wat er onder de kepie van te zien was, zijn haar keurig geknipt en nagenoeg glanzend, zijn handen langs de naad van zijn broek, handen waarvan de ene, de rechter, met onregelmatige tussenpozen omhoogging om een superieur te eren of de groet van een gedemilitariseerde te beantwoorden.

Lees meer