30 juli 2015

Gelukkig tussen ruïnes van bordkarton. Levende Franse poëzie 1980-2000 – Jan H. Mysjkin

Bloemlezing waarin de ene dichter beter bevalt dan de ander

Poëzierecensie door Maarten Buser

Bloemlezing waarin de ene dichter beter bevalt dan de ander

De poëzie van een land ontwikkelt zich vaak dankzij impulsen van buitenaf. Zonder de Italianen had het sonnet waarschijnlijk niet bestaan, met als verdere consequentie dat de Nederlandse canon bijvoorbeeld ‘De moeder de vrouw’ armer was geweest. Ook de Franse poëzie is een internationale aangelenheid, blijkens Gelukkig tussen ruïnes van bordkarton.

De in deze bloemlezing opgenomen dichters hebben vaak meer met Pound dan met Mallarmé. Samensteller en vertaler Jan H. Mysjkin laat in zijn inleiding, waarin de situatie van de Franse poëzie op dat moment wordt geschetst, zien hoe de Franse en Amerikaanse poëzie naar elkaar toe zijn gekropen. Franse dichters vertaalden hun Amerikaanse broeders als John Ashbery en Michael Palmer, die op hun beurt weer Franse poëzie vertaalden. (Of zoals Wallace Stevens ooit schreef: ‘French and English constitute a single language’; een bewering die gretig door Paul Auster aangehaald werd in zijn inleiding voor The Random House Book of 20th Century French Poetry.) De poëzie van Frankrijk, die een sterk hermetische traditie kent, (Geboorten van het vers. Levende Franse poëzie 1940-1960 bijvoorbeeld) stond sterk in het teken van het omgaan met de erfenis van het surrealisme), blijkt opener te zijn geworden, maar vaak niet minder moeilijk.

Gelukkig tussen ruïnes van bordkarton is net zo opgezet als de eveneens door Mysjkin verzorgde twee eerdere delen Levende Franse poëzie: een lange inleiding en vervolgens een selectie van verscheidene dichters. Van elk van hen is meestal of een reeks of een afdeling gedichten gekozen, of een keuze uit één bundel. Bovendien wordt elke dichter voorgesteld met een tekst die ergens tussen een inleiding en een kort essay inzit. De vertaling is zoals we die van Mysjkin gewend zijn: ze lezen zo vloeiend als oorspronkelijk Nederlandstalig werk. Dat doet er evenwel niets aan af dat het toch jammer is dat ook deze uitgave niet tweetalig is.

Zoals eigenlijk met de meeste bloemlezingen het geval is, smaakt de ene dichter beter dan de ander. Uw recensent is bijvoorbeeld niet zo gecharmeerd van de warrige Jean-Paul Auxeméry, of het flauwe, geforceerde taalgebruik van Katalin Molnár (‘alsJijWillenMakenGedicht / inTaalDieJijNietKennen / jijDenkenEerst / datDatZijnOnmogelijk’; overigens geen eenmalig experiment, want Molnárs hele bijdrage is op deze manier geschreven). Daar staan heel wat interessantere dichters tegenover, zoals Leslie Kaplan. De van haar opgenomen gedichten zijn consequent in de men-vorm geschreven en gaan over het werk in een fabriekshal. De alles beheersende sfeer daar wordt duidelijk neergezet met regels als ‘De fabriek, men gaat erheen. Alles is er. Men gaat erheen. / Het exces – de fabriek.’ of ‘Men kan niets doen. // Men monteert een versnellingsbak.’

Wie op zoek gaat naar opvallende tendensen in deze bloemlezing, ontdekt wellicht de interesse in en flirts met het banale of niet-literaire taalgebruik (en daar hebben we het postmodernisme weer). Denk daarbij aan Kaplans harde, kale stijl, maar ook aan het opgenomen werk van Olivier Cadiot. Zijn prozagedichten zijn montages van passages uit lesboeken. Dat levert werk op dat enerzijds van een Barbarber-achtige lichtvoetigheid is, en anderzijds een vertonrustende ondertoon heeft: ‘Ik begrijpen (o.v.t.) dat deze gebeurtenis in tranen drenken (v.v.t.) en ik zwijgen (o.v.t.). De vrouw nemen (o.v.t.) haar zoon van de takken van de boom en zij geven (o.v.t.) hem haar echtgenoot te dragen’.

Een andere ontdekking is Véronique Pittolo. Van haar is een selectie vertaald uit Héros (Helden; 1998), een boek dat het midden houdt tussen een conceptuele gedichtenbundel en een filmscenario. Pittolo’s prozaïsche, vaak bijna onnadrukkelijk geformuleerde regels roepen vaak direct filmbeelden op: ‘De weg die MURIEL aflegt kan men volgen door het galmen / van haar hakken op het asfalt.’ Zulke beschrijvende passages worden afgewisseld met korte bespiegelingen als ‘Lange tijd dacht men dat helden zich tot een vast kader beperkten.’ De fragmenten overtuigen op zichzelf, én samen maken ze erg benieuwd naar (een vertaling van) de gehele bundel, en dat is wellicht het grootste compliment dat je een bloemlezer kunt maken.

Hoewel niet elke vertegenwoordigde dichter even interessant is, is Gelukkig tussen ruïnes van bordkarton een prima bloemlezing geworden. Deze uitgave is een geschikt startpunt voor avontuurlijke lezers die nieuwe ontdekkingstochtjes willen maken.


Gelukkig tussen ruïnes van bordkarton. Levende Franse poëzie 1980-2000

Redacteur en samensteller: Jan H. Mysjkin
240 blz.
Prijs: € 22,50
Uitgegeven bij Poëziecentrum

Gelukkig tussen ruïnes van bordkarton. Levende Franse poëzie 1980-2000
Jan H. Mysjkin
ISBN: 9789056554033

Meer van Maarten Buser:

2 januari 2017

Roman of essaybundel

Over 'Vertrouwde en vreemde dingen' van Teju Cole
11 november 2016

Edward Hopper schilderde geen deur naar buiten

Over 'De eenzame stad' van Olivia Laing
16 augustus 2016

Poëzie van de 21e eeuw als 'work in progress'

Over 'Dichters van het nieuwe millennium, Nederlandse en Vlaamse poezie in de 21e eeuw' van Redactie: Jeroen Dera, Sarah Posman en Kila van der Starre

Recent

20 januari 2017

Openhartig over lotsbestemming

Over 'Het visioen aan de binnenbaai' van Oek de Jong
19 januari 2017

Lawaaidichter en lawaaimakers

Over 'Radeloos en betoverd' van Pat Donnez
18 januari 2017

Streng en gewichtig

Over 'We hadden liefde, we hadden wapens' van Christine Otten
17 januari 2017

Ongrijpbare gedichten

Over 'Bladgrond' van Roland Jooris
16 januari 2017

Sprookjes hebben geen woorden nodig

Over 'Sprookjes van Grimm zonder woorden' van Frank Flöthmann

Verwant

30 juli 2015

Les Murray en kaddisj zeggen.

Over 'Liter nr 77 - maart 2015' van Jan H. Mysjkin
30 juli 2015

Tussen engagement en lamlendigheid

Over 'Dood werk' van Jan H. Mysjkin