4 december 2015

Geluk in een draagdoek

Door Inge Meijer

Ik was een paar weken in Londen om de tweeling van mijn oudste Zoon en zijn Liefste te bewonderen. Op zondagmiddag gingen we naar het park in London Fields. De baby’s in een draagdoek liepen we door de straten van Hackney. Ruziënde stemmen van een man en een vrouw, vlogen als vuurballen door een open raam de straat over. Het deerde ons niet. Gek genoeg hadden we het erover hoe je met schuimende melk figuurtjes op koffie maakt. Dat de dikte van de koffie hierbij van belang is. Alsof we al zo vaak op zondagmiddag met baby’s uit wandelden waren geweest.

In het park trokken de draagdoeken vooral de blikken van jonge vrouwen. Verlangen naar een kind lijkt op een zonnige zondagmiddag in een park vreselijk urgent. Een kind maken of een alternatief bedenken. Zoals: maak een schap in de keuken voor de koffiemolens die je in de loop der jaren hebt verzameld. En als dat klaar is, zoek naar wat anders tot blijk dat  het verlangen niet meer te ontwijken is. Grote kans dat je dan ook op een zonnige zondagmiddag bebuideld door een park loopt.
Op de terugweg naar hun huis begon ik van louter geluk de namen van de straten te mompelen: Shrubland Road, Brownlow Road, Marlborough Road.

Thuis legden we de slapende baby’s tussen ons in op de bank. Oogbollen schoten achter transparante oogleden heen en weer op zoek naar een opening om de wereld in te kunnen kijken. Piep en prut geluiden. Mondjes verstreken tot een intense treurigheid om dan ineens tot een perfect gevormde 0 te komen die overging in een gelukzalig glimlachen. Waarna een diepe frons, zoals alleen een nieuwgeborene fronsen kan, alles wegvaagde en je denkt: ‘Och kindje, wat is er dan?’ En je noemt ze bij hun naam om ze te helpen dit leven in te komen en stelt je voor dat als je niets ervaart van jezelf, je wel een muts op wilt om te voelen waar je hoofd zit en dikke sokken om je voeten in te steken zodat je weet waar je begint en waar je ophoudt. Zodat je niet wegvliegt in het oneindige waar het huilen je nadert en het van je overneemt.

Zoon moest voor zijn werk een week op pad. Zijn Liefste en ik zouden het klaren. De kleintjes dronken gretig moedermelk, we voerden ze bij met flesjes, poedelden ze, zongen liedjes, vouwden steeds opnieuw de was en noemden ze bij hun naam. Dag en nacht. Wanneer ze ontroostbaar waren droegen we ze uren in onze armen of in een draagdoek. Onze taal beperkte zich tot een ‘Ochetoch’ en zongen rijmpjes als: ‘Hee hee / ga je mee / samen naar de zee.’ Waar we natuurlijk niet naar toegingen omdat we geen energie over hadden om waar dan ook nog naar toe te gaan. We waren moe en verwisselden de namen van de meisjes, maar dat vonden ze niet erg. Ze bleven stralen en fronsen en drinken en hun luiers volmaken en zich koesteren in onze omarmingen.

John Berger schreef in zijn boek Ways of Seeing, ‘Seeing comes before words. The child looks and recognizes before it can speak’. En zo is het.

 

Recent

25 juli 2017

Een Limburgse Rémi

21 juli 2017

Vast in het ijs

19 juli 2017

Kijk, lees en geniet!

17 juli 2017

Terug naar vroeger

Literair Nederland - 10 jaar geleden

30 juli 2007

Vereenzaamd meisje op een paardenfarm
Door Bernadet

De twaalfjarige Alice Winston woont met haar ouders in een afgelegen huis in Desert Valley. Haar moeder is na de geboorte van Alice in bed gekropen en komt er zelden meer uit. Haar vader probeert met veel pijn en moeite een paardenfokkerij draaiende te houden. Zus Nona, de lieveling van haar vader, is er een half jaar geleden vandoor gegaan met een rodeorijder.

Lees meer