12 september 2016

Gehalveerde mensen

Door Adri Altink

Met andere vrijwilligers zit ik in de ontmoetingsruimte waar statushouders binnen lopen om elkaar te ontmoeten. Ze kunnen er hulp vragen of ideeën uit te wisselen. Het is een leerzame omgeving. Ook voor ons, Nederlanders. Zo vroeg ik me vorig week af wat ons aandeel was in de zweethanden van Abdullah.

Hij kwam binnen om iets op te halen. Gastvrij als we zijn boden we hem een kop koffie aan, waarop hij aan tafel ging zitten. We hadden direct een druk gesprek over zijn vorderingen met de inburgeringscursus. Terloops liet hij zich ontvallen dat hij om half drie een afspraak had in een dorp in de buurt, maar hij maakte geen aanstalten om op te staan. Tot ik vroeg: ‘Maar hoe laat gaat je bus dan?’ Hij noemde de tijd en pas toen realiseerde ik me dat hij al een paar keer op zijn horloge had gekeken. Door ons gemaand om haast te maken, stond hij op en reikte ten afscheid zijn klamme hand. Toen hij dacht uit zicht te zijn, zagen we hem op volle snelheid het gebouw uit rennen.

Het was niet de eerste keer dat een vluchteling die ons bezocht zo vriendelijk en beleefd was dat hij zijn eigen belang ‘vergat’ om ons niet teleur te stellen. Ik moest denken aan wat Hermann von der Dunk, zelf in 1937 uit Duitsland naar Nederland gevlucht, schreef in zijn boek Vluchten voor de Groote Oorlog:

Vluchtelingen worden gehalveerde mensen. De vluchteling verliest de basis voor zijn gevoel van eigenwaarde en zelfvertrouwen, de zekerheid die voortvloeit uit de natuurlijke vertrouwdheid met zijn omgeving, de zelfstandigheid en vrijheid die berusten op dat vertrouwen namelijk dat wat men geleerd heeft, dat de eigen waarden en normen geldige pasmunt zijn. Vluchtelingen worden geduld. En het is altijd de verborgen verwachting dat zij zich dankbaar zullen betonen voor die dulding, hetzij bij hun gastheren, hetzij bij henzelf omdat ze denken dat hun gastheren dat verwachten. Wie is aangewezen op medelijden leeft met een hypotheek.

Hoezo: vluchtelingen worden geduld? We zitten hen in ons café juist een warme ontvangst te bereiden:
– Kopje koffie, Abdullah?
– Ja, lekker
– Gezellig, Abdullah. Hoe gaat het met je?

Natuurlijk gaat het goed. Abdullah is blij met zijn kopje koffie. Hij is er dankbaar voor. Die dankbaarheid is een verborgen verwachting. Bij hemzelf. Of, vermoedt hij, bij ons. Als hij zijn volgende afspraak mist zal hem dat met een schuldgevoel opzadelen omdat hij, hoe ondankbaar!, te laat kwam. En waarom kwam hij te laat? Omdat hij zijn hypotheek bij ons zat af te lossen.

Natuurlijk. Von der Dunk had het over de grote wereld. Maar ik moet niet voor niets aan zijn tekst denken. Ik was net daarvoor met de beste bedoelingen toeschouwer geweest van een microversie van die wereld.
Foto: RTL Nieuws van een mars in Amsterdam op 13 september 2015.

 

 

Recent

21 maart 2017

Intrigerende zwakheden

20 maart 2017

De zee in Tilburg

Literair Nederland - 10 jaar geleden

26 maart 2007

Zonder dat hij het wist, keek ze hem telkens na als hij voorbijkwam, de winkelierster, langs de zaak, soldaat Brû. Hij liep daar heel ongedwongen, in zijn vrolijke kaki klof, met zijn haar, tenminste wat er onder de kepie van te zien was, zijn haar keurig geknipt en nagenoeg glanzend, zijn handen langs de naad van zijn broek, handen waarvan de ene, de rechter, met onregelmatige tussenpozen omhoogging om een superieur te eren of de groet van een gedemilitariseerde te beantwoorden. Niet bevroedend dat hij elke dag door een bewonderend oog werd vastgepind op de weg die hem van de kazerne naar het bureel voerde stapte soldaat Brû, die in het algemeen nergens aan dacht, maar als hij dat toch deed dan het liefst aan de slag bij Jena, stapte soldaat Brû voort met de onbevangenheid van een niet-bewuste. Met zijn niet bewust grijsblauwe ogen en zijn niet bewust elegant omwikkelde beenkappen droeg soldaat Brû heel naïef al het nodige met zich mee om in de smaak te vallen bij een jongejuffrouw die niet helemaal jong meer was en ook niet helemaal juffrouw. Het ontging hem.

Zonder dat hij het wist, keek ze hem telkens na als hij voorbijkwam, de winkelierster, langs de zaak, soldaat Brû. Hij liep daar heel ongedwongen, in zijn vrolijke kaki klof, met zijn haar, tenminste wat er onder de kepie van te zien was, zijn haar keurig geknipt en nagenoeg glanzend, zijn handen langs de naad van zijn broek, handen waarvan de ene, de rechter, met onregelmatige tussenpozen omhoogging om een superieur te eren of de groet van een gedemilitariseerde te beantwoorden.

Lees meer