Geen weg terug 2

Een kamermeisje uit Luxemburg

En zo waren we in Luxemburg aangekomen. Hm, Luxemburg. Nu, vooruit. Omdat het aan de late kant was, we moe waren en er Belgische frieten langs de kant van de weg verkocht werden, legden we ons er bij neer. Al wisten we niet wat we in Luxemburg te zoeken hadden. Wat ik een tekortkoming van onszelf vond. Denkend aan Frankrijk, waarheen we op weg waren, breekt er een stroom aan informatie in mijn hoofd los: slag bij Verdun, invasie Normandië; stad Rouen, waar Flaubert vandaan komt en waar zich een pesthuis, in originele staat, dat nu dienst doet als Kunstacademie en een ‘Bibliotéque’ met de naam Simone de Beauvoir bevindt. De Beauvoir hoort bij Sartre, Sartre was bevriend met Camus die het veelgeroemde boek La peste schreef. De Beauvoir had overigens een oogje op Camus maar dat is nooit iets geworden. Dan weet ik nog dat Sartre in oorlogstijd in de Elzas choucroute (zuurkool) had ontdekt. Dit, ongetwijfeld omdat Mijn Lief er dol op is.

In België had ik Manneken Pis, Elsschot en De Standaard, bij de hand. Iets minder spontaan Frank Van Passel. Die een film van Manneken Pis en Villa des Roses maakte. Van Luxemburg borrelt er niet eens zoiets als het equivalent van de Eiffeltoren in me op. Wat wist ik nu meer over Luxemburg dan dat het een Groothertogdom is en dat er in drie talen: Luxemburgs (Letzebuergesh), Frans en Duits gesproken wordt?
Dat één op de zes inwoners van Luxemburg Portugees is, wisten we van Google. Dat gaf ons net dat zetje waardoor we er een overnachting op waagden. Eens woonden we in Portugal, aan de voet van het gebergte Serra de Estrella hadden wij voor zeven jaar ons onderkomen. Op vrije dagen bezochten we Lissabon (stad van Fernando Pessoa, cafe Brasileira, José Saramago). En nu, wanneer wij Portugees horen spreken, stroomt ons hart over. De Portugezen zeggen: Saudade is een sentiment dat wanneer het niet in het hart besloten ligt, het via de ogen zijn weg naar buiten zoekt.

In een lunchroom, (de regen viel ondertussen met bakken uit de lucht), serveerden ze het beroemde Portugese gebakje: pastel de nata. Een taartje van room, suiker, eidooiers en bladerdeeg. We gingen de straat weer op. Bij de Hema, jawel, de Hema, kochten we paraplu’s. Daarna liepen we een Zweedse kledingwinkel binnen voor truien, sokken en waterdichte schoenen. Bij de kassa werd Portugees gesproken. Wij schoven snel aan in de rij. Voor en achter ons Nederlandse gezinnen, die ook niets anders te doen hadden dan in Luxemburg kleding te kopen. Wij zwegen in alle talen. Even later raakten Zoon en Dochter met de verkoopster in een geanimeerd gesprek verwikkeld. Joana was een Luxemburgse Portugese. Familie van haar woonde in Rotterdam. Dat het in Luxemburg veel regende vertelde ze ook. Dat geloofden we wel. Joana wilde wel in Nederland wonen. Zoon en Dochter wel in Portugal. Saudade, saudade.

Weer thuis herinnerde ik me de eerste editie van 2014 van De Parelduiker. Daarin stond dat Emmanuel Bove’s moeder kamermeisje in Luxemburg was geweest voor ze met haar man naar Parijs vertrok. Uit niets bleek dat ze er ooit naar terugkeerde.