Opeens was er sprake van het hart. Ik wist dat ik er een had maar stond er nooit bij stil, zoals je er ook niet bij stil staat dat er een slot in je voordeur zit dat je dagelijks moeiteloos doorgang verschaft. Tot het slot weigert, dan besef je pas dat er een mechaniek in de deur zit. Mijn hart begon met een licht rondfladderen als van een vleermuis, onrustig in het wilde weg.  Lastige dingen gaan soms, als je er geen aandacht aan besteedt, vanzelf voorbij. Ik sliep er een nachtje over, en nog een. Ik had dingen te doen. Toen gedroeg het zich als een duif met plompe vleugelslag die zich met roffelend vertoon wilde bevrijden. Ik wist niet beter dan het toe te spreken, als was het een zeurend kind dat om aandacht vroeg.

Dat ik de tijd nog rekte met, ‘Wacht, wacht, ik ben zo klaar. Laat me dit even afmaken, en nog even dit. Nog vijf minuutjes,’ was vanuit een geloven dat er niets aan de hand was. Maar het gefladder verhevigde, kroop tot in mijn keel omhoog. Ik wist, als ik nu mijn mond zou openen, het eruit zou vliegen. En ik mompelde, met opeen geklemde lippen, ‘Jaja, wat is er dan. Kom eens hier. Zullen we wat lezen?’ Ik pakte Over reizen, rust en rendieren van Jenny Diski. Een reisboek over thuisblijven. Een rustgevend boek waarin Diski zichzelf onderzoekt, reizend over innerlijke grenzen. Ze vindt bijvoorbeeld dat ze lui is en gaat wandelen (en stopt er weer mee). Ze schrijft over vallen (waar ze goed in is), over schuilhouden (waarin ze me overtreft) en over leegte waarover ze schrijft: ‘Ik kan maar heel moeilijk geloven dat er iets onder mijn huid zit. Ik beschouw mijn lichaam als het omhulsel: dat wat ik kan zien en kan kleden.’ Precies, zo zag ik het ook!

Tot het fladderen begon en er een dokter aan mijn bed stond dat niet het mijne was en me uitleg gaf over het eigengereide gefladder in mijn borstkas. Hij zei iets dat klonk als epibreren. Ik moest lachen, en misschien leek het dat ik hem uitlachte maar het was omdat ik aan iets zou lijden dat geen betekenis heeft, wist hij dat niet? Carmiggelt verzon dit niet bestaande werkwoord in de jaren vijftig en gebruikte het in een column waarin hij door een gemeentefunctionaris aan het lijntje werd gehouden. Als hij voor de zoveelste keer aan het loket komt om een persoonlijk document af te halen en het nog niet klaar ligt, en de beambte ook niet meer weet wat hij zeggen moet, geeft Carmiggelt hem als excuus dat het document nog geepibreerd moet worden. ‘Ach zo,’ zei Carmiggelt, en droop af. Toen hij buiten stond, dacht hij, ‘Epibreren. Wat is dat eigenlijk?
Het was geen epibreren wat de dokter zei, maar ‘fibrilleren’ van de boezem. ‘Ah’, zei ik en knikte begrijpend, ‘Fibrilleren van de boezem.’ Hoewel het me even betekenisloos voorkwam als het epibreren van een document.