22 mei 2017

Fijn griezelen

Door Marijn Sikken

Als tiener keek ik de ene na de andere horrorfilm. Het kon me niet eng genoeg zijn en de bloederigheid van het genre nam ik voor lief tot ik op een dag, tijdens het zoveelste deel van Saw, begreep dat het genoeg was. Sindsdien verdraag ik geen enkel gruwelijk beeld meer en kijk ik uitsluitend spookfilms, van die vertellingen waarbij plots de paranormale pleuris uitbreekt – al heb ik de helft van de tijd mijn handen voor mijn ogen en roep ik dingen als: ‘Nee joh, ga weg’.
Ik griezel dus graag, maar walgen staat me tegen. Om die reden stopte ik, kotsmisselijk in een intercity, voortijdig in Elementaire deeltjes van Michel Houellebecq en word ik alleen al bij de samenvatting van Edgar Allen Poe’s The cat licht in mijn hoofd. Maar ik lees die samenvatting wel.

Waarom mensen het zichzelf aandoen, met films of springend uit een vliegtuig, weet ik niet. Wat ik wel weet, is hoe moeilijk het is om bepaalde gevoelens op te wekken via papier. Iemand met woorden fysiek aan het rillen krijgen, is knap. De spanning die ik in heel mijn lijf voelde toen ik als kind de boeken van R.L. Stine las, wanneer heb ik dat tegenwoordig nog? Gebeurt er tijdens het lezen nog iets fysieks – hartkloppingen, kippenvel?
Minstens zo moeilijk als het gedoe met die nekharen is humor. Veel boeken die ik lees zijn met droogkomische toon geschreven, de observaties scherp en de dialogen ad rem, ik kan daar erg van genieten. Maar genieten is iets anders dan lachen. En als ik zou optellen hoe vaak ik in chats reageer met ‘hahaha’ en iets heus wel grappig vind maar niet zo grappig dat er echt een geluid uit voortkomt, zou ik wellicht tot de deprimerende conclusie moeten komen dat ik een sociaal aangepaste leugenaar ben.
Misschien hecht ik er teveel waarde aan. Aan de andere kant las ik onlangs Geen Jalapeños van Thomas Beijer en barstte ik tijdens een passage over postduiven en emoji hardop in lachen uit, een gevoel dat zo vrolijk en bevrijdend is dat Beijer alleen daarom al een prijs verdient.

In een interview zei een schrijver dat ze ‘het’ met porno niet kon, ze had woorden nodig om opgewonden te raken. Eerst vond ik dat maar aanstellerij, nu denk ik: waarom niet? Wanneer heb ik eigenlijk voor het laatst gehuild bij een boek?

Ik kom hier allemaal op door de verhalen van Mariana Enriquez. Haar verhalen in de bundel Dingen die we verloren in het vuur lezen als horrorsprookjes, met een moddervette vertelstem en bloederige details die ik maar net aankan, haar werk doet denken aan jaren tachtig teen slashermovies. Van de schrijver weet ik niets, meestal houd ik dat liever zo, maar in het geval van Enriquez stel ik me graag voor dat ze haar lezingen in donkere ruimtes houdt, met een zaklamp die vanonder haar kin naar boven schijnt, of in gezelschap van een kampvuur. Met haar verhalen komt het fijne van griezelen weer terug. En hoe.

Recent

Literair Nederland - 10 jaar geleden

02 juli 2007

Sommige schrijvers debuteren wanneer ze al oud zijn
Recensie door Karel Wasch

In zijn vorige leven was Paul Pennartz (1935-2011) helemaal nog geen schrijver. Toen was Dr. Paul Pennartz bekend als sociaal wetenschapper die in 1999, samen met een vrouwelijke hoogleraar sociologie, een werk in het Engels publiceerde: The Domestic Domain: Chances, choices and strategies of family households. Verder leverde hij een bijdrage aan een bundel verhalen en gedichten van Limburgers, die de provincie literair gezicht hebben gegeven.

Lees meer