22 oktober 2015

De kat van Dovre – Peter Christen Asbjørnsen en Jørgen Moe  

Er was eens in Noorwegen…

Recensie door Adri Altink

We zijn opgegroeid met sprookjes. Maar in Nederland dan toch vooral met de verzamelingen van de Gebroeders Grimm, Hans Andersen en Charles Perrault. Als volwassenen maakten we bovendien kennis met volksverhalen en literaire sprookjes van bijvoorbeeld Frederik van Eeden en Godfried Bomans. Maar weinigen van ons zullen zich hebben vermaakt met de sprookjesverzameling van Asbjørnsen en Moe. Dat gemis kan nu worden ingehaald met een uitgave van Wilde aardbeien, een imprint van Stichting Scandinavisch Vertaal- en Informatiebureau Nederland (SVIN). Het is na 70 jaar weer de eerste vertaling in het Nederlands rechtstreeks uit het Noors.

De sprookjes zijn, zoals Janke Klok in haar Nawoord schrijft, vertaald in begrijpelijk modern Nederlands, maar niet vergaand bewerkt. En ‘het behoud van het karakteristieke Noorse element’ is ‘een belangrijk criterium’ geweest. Het zal wel, zou je kunnen denken, als je – niet noemenswaardig bekend met de Noorse literatuur en geschiedenis – eerst dit nawoord hebt gelezen. Maar er voltrekt zich bij onderdompeling in deze sprookjes een klein wondertje: je proeft, ook al heb je je nooit met Noorwegen bezig gehouden, toch iets dat onmiskenbaar Noors moet zijn.

Het Nawoord is trouwens een interessante toelichting op de betekenis van deze sprookjes voor de Noorse taal en identiteit. Asbjørnsen en Moe, kwamen elkaar in 1826 tegen in het gehucht Norderhov. Hun beider belangstelling voor volksverhalen leidde tot een vriendschap en een  zoektocht naar varianten van sprookjes, volksverhalen, sagen en balladen. Ze probeerden er niet alleen de ‘oervorm’ van te achterhalen, maar wilden er ook een Noors verleden mee reconstrueren; een romantisch idee dat in vruchtbare aarde viel omdat Noorwegen tot 1814 een provincie van Denemarken was geweest en Deens nog steeds de officiële schrijftaal was. Hun verzamelwerk en herschrijving van de overgeleverde orale traditie (uit een soort dialect dat wél Noors was) heeft er in geresulteerd dat ze diverse typisch Noorse woorden aan de schrijftaal hebben toegevoegd. Ze zorgden daarmee niet alleen voor een taalrevolutie, maar ook voor een literaire. Noorse schrijvers lieten zich op zoek naar een eigen landsliteratuur door de verhalen inspireren.

Asbjørnsen en Moe maakten ook zelf literatuur van de volksverhalen en sprookjes. Ze bouwden hun vertellingen op volgens een helder schema dat leidt naar de climax en hanteerden een beeldende woordenschat. Opvallend zijn de talrijke herhalingen in de opbouw. Ooit waren die voor volksverhalenvertellers handige kapstokjes om het verhaal goed te onthouden, maar Asbjørnsen en Moe zetten ze ook als eigen stijlmiddel in.

Wat meehelpt om een Noorse sfeer te creëren is het gebruik van Noorse namen en landschappen. Geen enkel sprookje van de twee verzamelaars begint met ‘Er was eens, in een land hier ver vandaan een molenaar, die…’. Nee, het eerste verhaal al speelt in Dovrefjell. En de hoofdpersoon heet Halvor. Dezelfde landstreek komt in meer verhalen terug, bevolkt door beren en trollen (ze ontploffen als ze aan zonlicht worden blootgesteld) en beheerst door de elementen als wind en storm die over weidse vlakten waaien.

Maar de verhalen zijn ook universeel. Natuurlijk zijn ze dat in hun thema’s van goed tegenover kwaad, slimheid tegen rijkdom en liefde tegenover jaloezie en de overwinning van rechtvaardigheid, maar ook in hun relaas. De ettelijke malen opduikende Askeladd die door zijn twee broers als een slonzige sul wordt beschouwd die alleen maar in de as kan poken, slaat bijvoorbeeld een prinses aan de haak, zoals zijn vrouwelijke evenknie Assepoester in de sprookjes van Perrault en Grimm uiteindelijk lang en gelukkig leeft met de prins wiens hart haar zussen zo begeerden. Waar Assepoester een glazen muiltje als bewijsstuk kon overleggen, zijn het bij Askeladd gouden appels. Waarbij je bovendien meteen aan de twistappel van de Griekse godin Eris kunt denken.

Zo gaan je gedachten bij het varken dat een beter leven wil dan tussen de schillen en het spoelwater, maar zich uiteindelijk toch verzoent met zijn bestaan, onwillekeurig naar de parabel van de Japanse steenhouwer in de Max Havelaar.

En er zijn meer van dit soort herkenbare interculturele verbanden. Krijgt Catootje in het lied Ik ben met Catootje naar de botermarkt gegaan…  een steeds langere stoet functionarissen achter zich aan, in het sprookje uit deze Noorse bundel over de kip die de ondergang van de wereld wil ontvluchten door naar Dovrefjell te gaan, wordt haar aanhang alsmaar groter als haantjepaantje, eendjebeentje, gansjepansje enzovoort zich ook aansluiten.

Er is zelfs een sprookje dat aan De verkeerde wereld van Pieter Breughel doet denken, het beroemde schilderij uit 1559 waarop een veelheid aan spreekwoorden is verbeeld. Dat is het verhaal van de ram en het varken die op zichzelf wilden wonen. Alle dialogen in dat sprookje bestaan uit spreekwoorden en gezegden.

Het is tevens een van de beste staaltjes van humor die Asbjørnsen en Moe afleveren. Humor inderdaad, want hun verhalen bevatten vaak wel een moraal, maar die wordt altijd luchtig en met een relativerend sausje overgoten.

Hoe speels en dartel zet de fabel over ‘de haas die getrouwd was geweest’ in, in vergelijking met een soortgelijk verhaal van de Gebroeders Grimm. Bij hen begint de fabel van de kat en de muis met: ‘Een kat had kennis gemaakt met een muis en haar zoveel voorgespiegeld over haar grote liefde en vriendschap, dat de muis er vriendelijk in toestemde, met haar samen in één huis te wonen en samen ’t huishouden te doen.’ Asbjørnsen en Moe laten hun haasfabel zo beginnen: ‘Er was eens een haas die vrolijk door de velden dartelde. “Hoera, hela, hopla” riep hij. Hij rende en sprong en maakte er af en toe een salto achteraan om vervolgens weer op twee poten in het gras terecht te komen.

Toen kwam er een vos aangeslopen.’

Wie dat leest wil die haas meteen volgen. Grimms kat en muis moeten dan maar even wachten.
En dat de haas voorrang krijgt zal ongetwijfeld ook een verdienste van de vertalers van SVIN zijn.

De bundel bevat trouwens ook nog eens fraaie oorspronkelijke illustraties.

 

 

De kat van Dovre
Peter Christen Asbjørnsen en Jørgen Moe  
Vertaling door: Carla Joustra, Lucy Pijttersen en Kim Snoeijing
Nawoord door: Janke Klok
Verschenen bij: Uitgeverij Wilde aardbeien (SVIN), 2014
Prijs: € 12,50

Meer van Adri Altink:

11 oktober 2017

De stijl tekent de man

Over 'Mijn grote appartement' van Christian Oster
27 september 2017

De mens moet geen god willen zijn

Over 'Aan een onbekende god' van John Steinbeck
9 augustus 2017

Wachten op Godot aan de Moldau

Over 'Een afgedane zaak' van Patrik Ouredník

Recent

23 oktober 2017

Zingende gedichten onovertroffen in hun beeldspraak

Over 'Nacht & navel' van Yannick Dangre
20 oktober 2017

Soepel en licht vallende poëzie

Over 'Wax Hollandais' van Abdelkader Benali
18 oktober 2017

‘Een luchtig sprookje’

Over 'Waterscheerling' van Rascha Peper
17 oktober 2017

Van poldercrimineel tot godfather in Frankrijk

Over 'Ondijk/Punt' van Barry Smit
16 oktober 2017

Nooit meer los van Indië

Over 'De Tanimbar-legende' van Aya Zikken

Verwant