23 februari 2015

Egidius – Maria Stahlie

Door vuur vergaan

Recensie door Vic Veldheer

Deze roman van Maria Stahlie is balsem voor je geest; het is mooi geschreven en consciëntieus gecomponeerd, met veel oog voor detail en situering in de tijd; het zet je aan tot denken over het bestaan in het algemeen en over je eigen leven.

Hoofdpersoon is Annette van ’t Hoff.  In de vier delen waaruit het boek bestaat lezen we haar leven. Het eerste deel -‘Vuurdoop’- is gesitueerd in 1972, Annette is dan in haar 11e levensjaar. Haar moeder vertelt haar op 29 (!) februari dat ze een abortus heeft laten plegen. Haar vader was het daar niet mee eens en trekt zich vanaf dat moment terug in zichzelf. Annette’s moeder drukt haar op het hart er met niemand over te spreken, niet met haar vader en ook niet met zus Pauline en broer Max. Annette beseft dan dat het leven niet vanzelfsprekend is, het bestaan evenmin. Ze geeft haar ongeboren broertje – hij zou op 5 september 1972 zijn geboren, de dag van de gijzeling op de Olympische Spelen in München – een naam: Egidius. Dat is de tweede naam van haar vader maar ook de titel van het beroemde klaaglied uit de Middeleeuwen Egidius waer bestu bleven. Dat gaat over de dood van een vriend waarbij de ‘ik’ op aarde ongelukkig achterblijft en aan Egidius vraagt een plekje in de hemel voor hem vrij te laten.
Nadat haar moeder het haar heeft verteld, gaat Annette naar haar kamer en voelt, al springend op haar bed, een vurig verlangen om te leven, zelf noemt ze het ‘witte hitte’: ‘Zou ze de witte hitte gaan vergeten, de witte hitte die zich op 29 februari vanuit het kuiltje boven haar maag naar alle uithoeken van haar lichaam had verspreid en haar in vuur en vlam had gezet?’ Vanaf dat moment staat haar leven in het teken van die heftige emotionele ervaring: ‘Sinds 29 februari 1972 was de schrikkeldag onlosmakelijk verbonden met Egidius en met het besef dat het niet vanzelfsprekend was om te bestaan. Zonder de zuigcurettage die het ongeboren kind in de buik van haar moeder de kop had gekost, zou Annette waarschijnlijk nooit de witte hitte hebben ervaren die haar op haar tiende als het ware voor de tweede keer in haar leven op de wereld zette. Annette koesterde het postume geschenk als haar meest kostbare bezit en ze was de 29ste februari als een soort van gedenkdag gaan zien, een op maat gesneden gedenkdag bovendien omdat de schrikkeldag net als Egidius buiten de tijd stond.’

Het tweede deel  -‘Lichterlaaie’- verhaalt over haar tweejarig verblijf in de VS in het kader van haar studie kunstgeschiedenis, ze is dan 21/22 jaar. Ze leert daar de drie broers Rossi kennen, ze trouwt later met een van hen.

Na haar middelbare school kiest Annette voor een studie medicijnen, maar wordt uitgeloot; in de tussentijd studeert ze kunstgeschiedenis. Aanleiding hiervoor is dat ze voor de tweede keer in haar leven de ‘witte hitte’ heeft gevoeld bij het zien van Stilleven met vis van Pieter Claesz uit 1647.

Wanneer in de VS een omvangrijke tentoonstelling wordt georganiseerd met stillevens, wordt ze uitgenodigd de persoonlijke assistent van de conservator te worden. Hoewel haar moeder zich fel verzet, hoeft Annette niet lang na te denken: ze gaat ‘op jacht naar een vuur waarvan nooit eenduidig zou kunnen worden vastgesteld dat het brandde, omdat het in verf was verstopt.’

In de VS komt ze dichter bij het vuur dan ze voor mogelijk had gehouden: ‘De onnavolgbare samenhang die Pieter Claesz gecreëerd had op het paneel dat in het museum van Minneapolis hing had haar in lichterlaaie gezet.’ Dan komt haar begeleider met een artikel over ‘contemplatief kijken’ waarin beschreven wordt hoe ‘je in een kunstwerk af kun dalen, naar het diepe hart van het schilderij.’ Dit doet haar besluiten zich verder te verdiepen in de kunstbeschouwing zodat ze toegang zal hebben tot het ervaren van ‘de witte hitte’.

Wanneer ze terugvliegt naar Nederland wacht haar een onaangename verrassing: haar vader is spoorloos verdwenen en heeft haar komst niet afgewacht. Voor Annette onbegrijpelijk, omdat ze zich met hem veel meer verbonden voelt dan met haar moeder. Ze ‘had zich vaak afgevraagd hoe het mogelijk was dat ze degene die haar het leven had geschonken in feite niet echt aardig vond’. Hoewel ze begrijpt dat haar vader weg is gegaan bij haar moeder, voelt ze zich door hem in de steek gelaten.

In het derde en dikste deel –‘Onder as bedolven’- is Annette 42/43 jaar, getrouwd, heeft twee zonen. Voor wie het werk van Stahlie kent, is Annettes gezin bekend, in haar vorige roman Scheerjongen stond Annettes oudste zoon Aldo centraal. Ze is inmiddels een succesvol kunsthistorica, een gevierd TV presentatrice en doceert aan de universiteit. Ze vindt haar werkzaamheden interessant, haar collega’s collegiaal, ze is geliefd bij haar studenten en televisiekijkers, heeft geen geldzorgen, leidt een gelukkig gezinsleven en woont in een mooi huis in Amsterdam. Haar zegeningen zijn bijna niet te tellen.

Maar toch is ze niet gelukkig. Ze merkt dat de gloed uit haar leven is verdwenen. ‘De gloed die zich onder de dubbele bodem van haar hart had genesteld, was domweg nergens meer te bekennen.’ Ze weet dat het normaal is dat ‘een mens in de loop van zijn volwassen leven het vuur uit zijn jeugd inruilt voor volwassen verantwoordelijkheden’. Annette twijfelt en tobt over het verlies van de ‘witte hitte’ en de gevoelens die ze gaandeweg kwijt is geraakt en voelt ze zich tegenover haar man en kinderen, zus en broer, schuldig omdat ze doet alsof ze gelukkig is. Ze schaamt zich daarvoor, voelt zich een bedrieger. Haar crisis bereikt een hoogtepunt wanneer ze – op zoek naar het verdwenen vuur – een seksuele relatie begint met een buurman en zo haar relatie met haar man Ben op het spel zet. Haar schuldcomplex groeit hierdoor en ze is dan ook opgelucht wanneer haar minnaar de relatie beëindigt omdat hij een vriendin heeft.

Naarmate haar schuldcomplex groter wordt, mist ze haar vader; met hem zou ze hierover kunnen spreken: ‘hij zou haar begrijpen als ze hem zou vertellen dat het vuur dat haar in betere tijden had voortgejaagd, onder as bedolven was.’ Wanneer haar broer haar vader heeft opgespoord, durft ze niet naar hem toe. Wanneer ze dan toch gaat en hem ziet, herkent hij haar niet. Ze laat het daarbij en keert terug naar huis.

In het laatste en dunste deel –‘Egidius’- komt het tot een emotionele ontlading die voor haar louterend lijkt te werken. Ze heeft steeds tegen haar man en kinderen willen zeggen wat er met haar aan de hand is, maar durft dat niet, uit angst hen te verliezen. Ze denkt erover om haar schuld in  te lossen door net als haar vader fysiek te verdwijnen. Maar er gebeurt iets waardoor ze niet langer in zichzelf gekeerd kan blijven. ‘Haar schuld was erkend, ze bestond weer. Annette haalde diep adem (…) Er gloeide een zekerheid op onder de dubbele bodem van haar hart, een zekerheid die het verstand te boven ging.’

Het is een prachtig en rijk boek, schitterend geschreven en met groot plezier gelezen!

 

 

Egidius
Maria Stahlie
Verschenen bij: Prometheus
ISBN: 9789044626742
400 pagina's
Prijs: € 19,95

Meer van Vic Veldheer:

13 oktober 2017

Leven zonder moeder

Over 'Het intieme vreemde' van Jente Jong
2 oktober 2017

‘Geen boek zo slecht of er staat wel iets nuttigs in’

Over 'Mijn landhuizen' van Plinius
4 september 2017

Een zondaar in een Britse kolonie

Over 'De kern van de zaak' van Graham Greene

Recent

20 oktober 2017

Soepel een licht vallende poëzie

Over 'Wax Hollandais' van Abdelkader Benali
18 oktober 2017

‘Een luchtig sprookje’

Over 'Waterscheerling' van Rascha Peper
17 oktober 2017

Van poldercrimineel tot godfather in Frankrijk

Over 'Ondijk/Punt' van Barry Smit
16 oktober 2017

Nooit meer los van Indië

Over 'De Tanimbar-legende' van Aya Zikken
12 oktober 2017

Een antikrimi

Over 'De rechter en zijn beul' van Friedrich Dürrenmatt

Verwant

23 februari 2015

Een dorpsleven zonder muziek

Over 'Het duistere dal ' van Maria Stahlie