Er riep een koe door de nacht. Het was een mooie roep; donker en dwingend. Het riep herinneringen op aan momenten dat je in de ochtendnevel van een feest naar huis fietste. Die koe in de nacht wekte net als de nachtelijke misthoorn van een trein het verlangen wekt om weg te trekken, zomaar ergens heen. Mijn lief sliep, zuchtend en stoom afblazend, waarbij de lucht zijn mond met een pfffff-end geluid verliet, als een band die leegliep. Het is niet erg wakker te liggen zei ik tegen mezelf en draaide op mijn andere zij. Maar ik had ook nog José Eduardo Agualusa in mijn hoofd. En iets uit Bekentenissen van een nieuwsgierig mens van Maarten Asscher. Waarin hij schrijft hoe irritant het is als een Portugese José wordt uitgesproken als een Spaanse José. Een Portugese José spreek je als ‘zjosé en niet als het harde Spaanse ‘gossé’. Dat het pedanterig is om dit te corrigeren, betweter die je dan bent. En dat ik laatst in Paradiso bij leesclub Le Monde was, waar een boek van Agualusa besproken werd en waar de moderator, ‘Gossé’ Eduardo Agualusa zei en ik me (dankzij Asscher) inhield.

Weer riep een koe door de nacht, urgenter nu. Het leek me een andere koe dan de eerste. Daardoor kwam ik in een staat van alertheid. Alsof ik straks verantwoording zou moeten afleggen over dat verschillend klinkende boegeroep en vanaf welk weiland dat dan kwam. Dat die koeien dan voor de nachts gemuilkorfd zouden worden. En of ik dat wilde; nee, dat wilde ik niet, dus laat die koeien nu maar. En ik probeerde niet naar koeien te luisteren. Maar Agualusa was er nog. Ik draaide me op mijn rug en dacht aan Een algemene theorie van het vergeten. Waarin zoveel verhalen zitten als het leven zelf. Het verhaal van de hoed, dacht ik, zit verweven door de roman. Dat ging zo (geloof ik):

Er lag een hoed naast een vuilcontainer. Iemand vertelt dat een man in de grond is verdwenen, precies op de plek waar de hoed ligt. Dat hij met eigen ogen zag hoe de man er het ene moment was en het volgende alleen zijn hoed. Zo ontstond het verhaal van de man die in de grond verdween. Ik moest denken aan een Angolese jongeman bij Leesclub Le Monde. Hij zei: ‘Ik lees niet.’ Hij zei niet: ‘Ik lees nooit’. Het was op aandringen van zijn Nederlandse vriendin dat hij het boek heeft gelezen. ‘Een knap boek’, vond hij het, want: ‘Niets is moeilijker dan orale verhalen opschrijven.’ In de stilte van de nacht begreep ik waarom hij ‘Ik lees niet’ zei.  Dat als je met verhalen, zoals in het boek van Agualusa, bent opgegroeid, niet hoeft te lezen. Ik nam me voor, vanaf morgen verhalen te vertellen waarin de waarheid een schier onopvallend aspect zal zijn.

 


Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over boeken als steunpilaren van het leven en over de ontdekkingen die zij doet in de marges van de literatuur.