7 oktober 2016

Een dichter op straat

Inge Meijer

In mij schuilt een lafaard. Het was dinsdagavond en donker. Het was niet echt laat maar ook niet vroeg meer. Een tijdstip waarop er niet zoveel gebeurt op straat. Een soort interbellum in de tijd. In de straatjes die de Nieuwezijds Kolk met de Keizersgracht verbinden liet een man twee honden uit. Een vrouw met een krat vol oude broden voorop  de fiets slingerde langs me heen. Bij het oversteken van de Herengracht liep er opeens een rijzige gestalte voor me uit. Een vrouw in het wit. Een witte lange jas, een witte broek en op witte schoenen die zich met moeite leken te verplaatsen, alsof er lood in zat. De lange panden van haar jas wapperden achter haar aan terwijl ze licht gebogen, als torste ze de zwaarte van de wereld op haar rug, voortbewoog. Een zwartleren rugzakje zat als een groot insect op haar rug gekleefd. De dunne draagbanden staken als voelsprieten vanaf het midden tot over haar schouders naar voren en onder haar armen door weer terug. Ik kwam van de Rode Hoed waar een groot dichter zijn dundrukmoment had gehad en dacht te begrijpen dat deze vrouw, ook bij de Rode hoed vandaan kwam. Ik ben nogal gauw geneigd te denken dat ik weet waar iemand heen gaat of vandaan komt. Ik ben een groot fantast in het diepst van mijn ziel.

De vrouw was fan van de grootste dichter van het land. Zonder bedenkingen had ze de zwaarte van een herfstavond getrotseerd. Nu was ze op weg naar huis, zich afvragend wat haar bezield had. Ik dacht, ik blijf wel achter haar. Als ze de weg niet meer weet zal ik vragen: ‘Moet u ook naar het station?’  En als iemand haar lastig viel, wat niet eens zo’n vreemde optie was, dan zou ik haar te hulp komen. Ik had een grote schoudertas over mijn schouder hangen. De dingen die erin zaten, (een boekje met harde kaft en puntige hoeken, een gevulde waterfles, een flinke sleutelbos) maakten de tas zwaar genoeg om iemand bewusteloos te kunnen slaan. Wanneer dit dan gedaan was, zou ik de vrouw bij de arm nemen en haar de eerste de beste tram induwen. Alle tramwegen gaan tenslotte naar het centraal station.

Ik ging sneller lopen. Toen ik ter hoogte van haar kwam, zag ik opeens dat het Judith Herzberg was. En ik wilde zeggen: ‘Dag mevrouw Herzberg. Mag ik u zeggen hoeveel ik van uw gedichten houd?’ Maar passeerde haar woordeloos. Aan de Nieuwezijds Kolk stonden we even naast elkaar.  En weer wilde ik zeggen: ‘Dag mevrouw Herzberg. Ik heb uw werk zo lief.’  Maar ik stak over en zij bleef staan. Haar tram arriveerde eerder dan de mijne. Ik voelde me laf om de herinnering die ik haar ontzegd had. Dat ze nooit zou kunnen zeggen: ‘Geen enkele recensie heeft mij zo gelukkig gemaakt als die keer dat een volslagen vreemde mij op straat aansprak en zei dat ze mijn werk zo lief had.’

 

 

Recent

21 juli 2017

Vast in het ijs

19 juli 2017

Kijk, lees en geniet!

17 juli 2017

Terug naar vroeger

10 juli 2017

Ongewone intensiteit

Literair Nederland - 10 jaar geleden

30 juli 2007

De twaalfjarige Alice Winston woont met haar ouders in een afgelegen huis in Desert Valley. Haar moeder is na de geboorte van Alice in bed gekorpen en komt er zelden meer uit. Haar vader probeert met veel pijn en moeite een paardenfokkerij draaiende te houden. Zus Nona, de lieveling van haar vader, is er een half jaar geleden vandoor gegaan met een rodeorijder.

Alice is een stil en teruggetrokken meisje, erg eenzaam ook, ze heeft geen vriendinnen. Ze mist haar zus verschrikkelijk.

"Ik wilde Valerie vertellen dat mijn zus ons niet belde, dat ze haast nooit schreef, dat ik me 's nachts in de stille donkere uren probeerde voor te stellen wat er in haar leven gebeurde, wat er zo opwindend en belangrijk was dat ze ons helemaal vergat en ons door het leven liet zwalken zonder haar."

Lees meer