10 augustus 2014

Dichters in de Prinsentuin voor de zeventiende keer

Het was al Poëzie dat er in de tuin de ronde deed

Literair Nederland was erbij

In de Prinsentuin, in het midden van de stad Groningen, vond eind juli voor de 17e keer het festival Dichters in de Prinsentuin plaats. Het is aan de late kant maar het was zo’n prachtig festival, dat met haar poëzie het rumoer van de stad  oversteeg, dat het deze ruimte verdient om als nog een verslag van weer te geven.

De door muren omsloten tuin baadde die middag in een fel zonlicht. Een vijftigtal houten klapstoelen stonden te wachtten op het neerzijgende gewicht van hunkerende poëzieliefhebbers. Veelal dames van alle leeftijden, zou blijken, waarvan enkelen, voor het gemak, zelf kleden en stoeltjes meebrachten en neerstreken op een zelfgekozen plaats. Dat kan allemaal bij Dichters in de Prinsentuin. Het was er nog stil, afgezien van een lauwe wind die nu en dan met onverwachte vaart door het gebladerte van de bessenstruiken streek. Rode bessen, waarvan door wie er dichtbij zat, met lome hand geplukt en gegeten werd in afwachting van de dichters. Een welhaast poëtisch gebaar dat je niet kon nalaten op deze zonnige zaterdagmiddag. Langs het pad werden boekenkraampjes met dichtbundels en andere boekenzaken ingericht. De tijd vergleed er als vloeibare honing, zoet en loom.

Tot de eerste dichters werden gesignaleerd. Lieke Marsman betrad de theetuin en Anton Korteweg nam plaats op een van de klapstoeltjes en begon met het sorteren van een stapel beschreven A-4tjes tot de gewenste volgorde. En daar liep Rodaan Al Galidi en de licht gebogen gestalte van Daniël Vis met een sigaret tussen zijn lippen. Toen stroomde ook het publiek toe en verschenen de eerste bekers gekoelde witte wijn op tafel en kon het festival beginnen.

Zeventien jaar geleden is het dat de Nederlands- en Friestalige dichter Tsead Bruinja de sterke behoefte voelde aan een idyllisch plekje waar hij zijn gedichten aan een publiek van dichters en liefhebbers ten gehore kon brengen. Hij kwam uit bij de Prinsentuin. Vervolgens nodigde hij een flink aantal collega-dichters uit. Deze zeer geslaagde dichters meeting vroeg om een vervolg en in de loop der jaren groeide de belangstelling en inmiddels is het festival niet meer weg te denken uit de wereld van de poëzie evenementen. Jaarlijks treden er in een verloop van twee dagen zo’n tachtig dichters op. Een mix van professionele dichters en nog niet gedebuteerde dichters. De line-up aan dichters was ook bij deze 17e editie veelal van een verrassende klasse.

Froukje van der Ploeg opende zaterdagmiddag met een aantal gedichten uit haar tweede bundel Zover. Haar gedichten scheppen beelden van een binnenwereld die zo raak zijn dat ze niets te wensen overlaten: de wereld is rond en tevredenheid sublimeerde zich op dat moment in de zonnige theetuin. vervolgens schudde Jaap Robben het publiek op tot een luchtige  substantie met zijn Annie M.G. Schmidt-achtige gedichten als: ‘Vier vingers en een duim / Mijn duim / kijkt zijn vingers niet aan. / (…) / Kleine dikke broer / en zijn vier pianozussen. / Ze lijken wel een voetbalteam / en hij staat rillend / langs de kant. / (…) / Maar het eenzaamst zijn de winters, / alle dagen in z’n eentje / in een want.’

Veel  van de poëzie van nog niet gedebuteerde ( jonge) vrouwen was het onderwerp in het genre van  ‘als ik jou was en jij mij’ en wat daar dan de uitkomst van zou zijn. Noem het zoekende poëzie: talent is zeker aanwezig maar de onderwerpen schieten wat te kort. Lieke Marsman is daar een uitzondering op maar dat is zeer wel bekend. Haar poëzie heeft ook dat zoekende, afvragende dat verbazing wekt en een zekere gaafheid overbrengt maar vooral ook uit balans brengt. De gedetailleerde observaties lijken alledaags maar stijgen al snel boven het aannemelijke uit. Het gedicht Omdat ik een held was, (uit haar tweede bundel De eerste letter) getuigt daarvan: ‘ Ze kwamen met loeiende sirenes de kazerne uitgereden, hun / gelaatstrekken verfijnd als linoleumsneden, en stroopten ons / de mouwen op door hier en daar een arm af te hakken. Een / moment lang meende ik van sommigen de kapsels te herkennen, / daarna zag ik hoe ik ze één voor één door de borst schoot. / (…) In andere dromen daarentegen zie ik alleen maar / mensen die ik niet ken, die me aan niemand doen denken, en / ik ben bang dat ik in deze dromen zelf gestorven ben, (..) /  nog voordat het verhaal begonnen is.’

De presentatie was wisselend. Er waren er die volledig naturel acteerden zoals Marjolein van Heemstra en Tjitske Jansen en daarmee het publiek volledig op de hand kregen. Sommigen stond de onzekerheid en een lichte schrik in de ogen terwijl ze voordroegen. En een enkele, welgeteld één dichter, Maarten Buser, durfde het aan zijn gedichten face to face, uit zijn hoofd voor te dragen. Zo gevraagd, (dat kan in de loofgangen) vertelde Buser dat hij werkt aan zijn eerste bundel waarin steeds drie personen terugkeren. Waaronder Claude uit het volgende, wat glibberige en intrigerende  (je krijgt er geen vat op) gedicht: ‘Ader / Dit is het soort feestje waarop het geluid zo afgesteld staat / dat je het niet zou merken als er iets jou kant op / zou glibberen. Niets weten is het halve gevecht / Schuin tegenover me zie ik Claude rustig dansen /  Hij liet me een keer een video zien over een man / die een minuut lang wankelde en uiteindelijk / (niet onverwacht) toch viel. Claude zei: ‘Dat is de spanning’ / Terwijl de baslijn als een ader over de vloer / gaat liggen, zie ik al hoe Claude, ofschoon niet wankelend, / daar toch over struikelt en door een deurtje in de grond glijdt / Met mijn schoenneus probeer ik de klink te vinden / Het plakt hier alsof er iets is geknapt’.

Dat poëzie confronterend kan werken was te merken bij het gedicht ‘De buurvrouw’ van Van Heemstra. Van Heemstra treft haar bovenbuurvrouw naakt bovenaan de trap nadat ze aangebeld heeft. Ze beschrijft smaakvol haar hangvellen, ‘overtollig vlees tot op haar knieën’. Onder de toehoorders een jonge, in stevige proporties gebouwde vrouw. Ze kijkt als opgejaagd wild om zich heen, tranen in haar ogen. Toen ze wat bedaarde maakte ze een foto van Van Heemstra, die vrolijk door declameerde en waarom gelachen werd omdat ze zo natuurlijk en ad rem was. De jonge vrouw lachte niet. Zij keek nu om zich heen alsof ze een mede slachtoffer zocht. Ze was in nood. Toen later Danny Degenaar zijn gedichten voordroeg, die van een vrolijke lichtheid waren, durfde zij weer te lachen en applaudisseerde met overgave.

I. v/d Graaf

 

De oversteek
Dichters in de Prinsentuin
Blz: 96
Prijs: €12,50
Verschenen 2014 bij Uitgeverij Kleine uil

Foto: Coen Peppelenbos

Vorige LiterairNederland was erbij

Recent

18 januari 2017

Streng en gewichtig

17 januari 2017

Ongrijpbare gedichten

Literair Nederland - 10 jaar geleden

22 januari 2007

Uit een goed nest,Miriam Toews
Een lekker, optimistisch verhaal voor tussendoor

Knute en haar dochter Summer Feelin’ wonen in Winnipeg en alles gaat niet echt lekker. Knute begint voortdurend aan een nieuwe baan maar ze wordt steeds ontslagen. Niet omdat ze niet wil werken, niet omdat ze niet hard werkt maar het lukt gewoon niet. Summer Feelin' vindt het vreselijk op school, gaat er met moeite naar toe, ze is veel liever thuis. En dan komt er een telefoontje, of Knute terug wil komen naar haar ouderlijk huis.

Lees meer