Galileo Galilei – Dialoog

De moeizame overgang naar een nieuw wereldbeeld

Recensie door Adri Altink

Toen Galilei in 1633 de Inquisitie op zijn dak kreeg, was dat niet zozeer om zijn standpunt dat de aarde om de zon draait en niet andersom, maar om de manier waarop hij van die opvatting getuigde in zijn Dialogo sopra i due Massimi Sistemi del Mondo Tolemaico e Copernicano. Van dat beroemde boek uit 1632 verscheen onlangs voor het eerst een Nederlandse vertaling.

Galilei (1564 – 1642) had zijn standpunt als zodanig al moeten bezuren in 1616. Toen had hij het eindelijk aangedurfd om op te komen voor de ontdekking van de Pool Copernicus, die in 1543 zijn De revolutionibus orbium coelestium (Over de omwentelingen van de hemellichamen) had gepubliceerd. Vóór 1600 was Galilei er eigenlijk al wel van overtuigd dat de oude opvatting van de Griek Ptolemaeus dat de aarde het middelpunt van het heelal was, niet kon kloppen en dat Copernicus, volgens wie de zon het middelpunt was waaromheen alle planeten, inclusief de aarde, draaien, het wel eens bij het rechte eind zou kunnen hebben. Maar toen durfde Galilei dat niet te ventileren uit angst om zich belachelijk te maken omdat Copernicus’ bewijs niet helemaal overtuigde. Toen hij er in 1616 wél over durfde te publiceren snoerde de kerk hem de mond en zette het boek van Copernicus alsnog op de Roomse lijst van verboden boeken.

Waarom kon in 1632 dan toch de Dialoog verschijnen? Dat had verschillende redenen.

Er waren ondertussen meer bewijzen door de uitvinding van de verrekijker / telescoop. Galilei kon daardoor allerlei tot dan toe onbekende verschijnselen waarnemen zoals bergen en dalen op de maan, manen rond Jupiter, de fasen van Venus enzovoort. Maar bovenal: in 1623 was een nieuwe paus aangetreden, Urbanus VIII. Hij was een goede bekende van Galilei – zelf ook katholiek. Urbanus was een man met wie te praten viel, ook al was hij aanhanger van Ptolemaeus en dienden diens opvattingen over de aarde volgens hem overeind te blijven omdat ze ook in de Bijbel werden verwoord.

Galilei won de paus voor het idee dat hij de nieuwe wetenschappelijke inzichten zou verwoorden in de vorm van een dialoog tussen een aanhanger van de Ptolemaeische wereldvisie en een aanhanger van die van Copernicus. Daar kon de paus mee instemmen als Galilei het maar hield bij een beschrijving van die standpunten zonder partij te kiezen. Ter bevestiging nam Galilei een voorwoord op waarin te lezen valt:

Door deze beschouwingen zal de wereld er hopelijk kennis van nemen dat wij (…) niet minder explorerend onderzoek hebben verricht, en dat, als wij blijven volhouden dat de Aarde onbeweeglijk is en we het tegenovergestelde alleen opvatten als een wiskundige gril, dat niet voortkomt uit gebrek aan kennis van wat anderen hierover hebben gedacht, maar dat we dat onder meer doen omdat ons dat wordt ingegeven door vroomheid, religie, erkenning van de goddelijke almacht en het besef van de zwakheid van de menselijke geest.

De kerk verwierp de moderne denkbeelden dus niet uit onkunde, zo stelde die zin, maar uit overtuiging. Het voorwoord was in werkelijkheid dan ook van de hand van de kerkelijke censor en niet geschreven door Galilei zelf. Die mocht er alleen stilistisch wat aan knutselen, maar de inhoud moest overeind blijven.

Eén van de vermakelijkheden van het lezen van de Dialoog is, nu we sinds 2012 eindelijk over een mooie Nederlandse vertaling beschikken, hoe Galilei er af en toe in slaagt door de mazen van het pauselijke net heen te zwemmen. Dat doet hij al direct door de keuze van de deelnemers aan de dialoog. Hun namen verwijzen naar historische personen uit het Italië van die tijd, maar hun rol heeft weinig met hen te maken. Salviati komt in de discussie op voor het standpunt van Copernicus, en Sagredo is de zeer geïnteresseerde leek waarmee de lezer zich gemakkelijk kan identificeren. Hun namen zijn ontleend aan twee vroegere vrienden van Galilei die respectievelijk in 1614 en 1620 waren overleden. Maar de sluwheid van Galilei zit in de derde deelnemer, Simplicio. Voor de kerk deed hij het voorkomen alsof ook diens naam verwees naar een historische figuur, ene Simplicio van Cilicia, die in de zesde eeuw een commentaar had geschreven op Aristoteles. In werkelijkheid noemde hij deze verkondiger van de denkwereld van Ptolemaeus en Aristoteles zo omdat Simplicio letterlijk ‘Simpelmans’ betekent.

De discussianten hebben zich vier dagen opgesloten in het paleis van Sagredo, gewapend met schrijfgerei en papier. In het boek komen dan ook de nodige tekeningen en berekeningen voor, maar die staan het leesplezier van de in exacte vakken matig geschoolden niet in de weg; die zullen zich dan evenwel niet moeten spiegelen aan één van de inleiders bij de Nederlandse vertaling die meldt van het boek genoten te hebben ‘in de loop van een vakantie op een zonnig strand, ver vóór hij van de geschiedenis van de natuurwetenschap zijn vakgebied had gemaakt’. Een strandboek is het niet.

Op de eerste dag bespreken de drie vooral zaken als beweging en de door Ptolemaeus en Aristoteles veronderstelde tegenstelling tussen de onvergankelijke en volmaakte sterrenhemel met zijn rondcirkelende sterren en planeten en de vergangelijke Aarde die een vast punt in het heelal heeft. Dat gebeurt met alle denkbare drogredeneringen en sofismen. Én met de nodige humor. Zo worden de aanhangers van Aristoteles voorgesteld als geleerden die een comfortabel onderkomen hebben opgezocht ‘waar men, beschut tegen de gure buitenlucht, alle kennis over de natuur kan opdoen door alleen wat pagina’s om te slaan’ of die de inwerking van Zon of Maan op de Aarde verklaren alsof ze een marmeren standbeeld naast een vrouw zetten ‘en dan verwachten dat uit die verbintenis nakomelingen voortkomen’.

Soms zijn de grapjes (voor ons als 21ste-eeuwers) subtieler, bijvoorbeeld als Salviati Simplicio verwijt dat hij niet zo’n slimme opvattingen huldigt, waarschijnlijk omdat hij Het Goudschaaltje en Brieven over de Zonnevlekken (twee boekjes van Galilei, maar dat wordt er niet bij vermeld) niet heeft gelezen.

Het thema van de tweede dag is de vraag of de aarde om haar eigen as draait of niet. Het is de langste sessie die bovendien nogal langdradig kan overkomen. We kunnen ons in de 21ste eeuw misschien moeilijk voorstellen dat de drie gesprekspartners zich uren lang konden bezighouden met de vraag of een kogel die naar het oosten wordt afgeschoten dichterbij het kanon zal landen dan één die onder gelijke condities naar het westen wordt gericht. Daaronder ligt voor Simplicio immers het verweer dat áls de aarde zou draaien, het kanon mee draait en dus als het ware achter de kogel aangaat en de afstand bekort, terwijl het geschut verder wegraakt van de kogel die in westelijke richting wordt afgeschoten.

We dienen zo’n discussie dan ook te lezen als waren we tijdgenoten. We doen evenzo afbreuk aan de Dialoog als we Simplicio simpelweg als een individuele dommerik zien. Los van het onderwerp – de draaiing van de aarde – staan hier twee denksystemen tegenover elkaar. De ene, vertegenwoordigd door Salvati, bepleit een onbevangen blik voor nieuwe ontdekkingen, experimenten en hypotheses, de andere houdt streng vast aan de leer van Aristoteles uit angst dat alle zekerheden op de tocht staan als diens leer wordt betwist. Of zoals Salvati tegen Simplicio zegt:

‘Ik begin te begrijpen dat u tot dusver tot de volksstammen heeft behoord die, om te leren begrijpen hoe zulke dingen in hun werk gaan en om kennis te verwerven over natuurverschijnselen, niet (…) rond (…) kanonnen gaan staan, maar zich terugtrekken in de studeerkamer en indices en registers door gaan zitten bladeren om te zien of Aristoteles er niet iets over heeft gezegd, en die, als ze eenmaal zeker zijn van de ware betekenis van de tekst, verder niets meer wensen en ook niet van mening zijn dat daarover nog iets anders te weten valt.’

We horen hier een echo van de beschrijving op de eerste dag van geleerden die beschutting zoeken ‘tegen de gure buitenlucht’ (zie hiervoor).

Blijkbaar heeft de tweede dag erin gehakt, want op de derde verschijnt Sagredo na een doorwaakte nacht waarin het hem geduizeld heeft van wat hij hoorde. Simplicio komt zelfs flink te laat nadat hij ’s avonds thuis uit ongeloof nog eens in oude boeken gedoken is. Maar niet alleen voor hen zal het een moeilijke dag worden, ook voor de alfa’s onder de lezers van de Dialoog vormt hij pittige kost.

Het begint nog luchtig met een opmerking waaruit we kunnen opmaken dat de Diederik Stapels van alle tijden zijn, als Salvati constateert:

‘dat er onder de mensen enkele zijn die, in de omgekeerde volgorde redenerend, eerst in hun geest de conclusie bepalen en zich deze (…) zo grondig inprenten dat ze zich er onmogelijk van kunnen ontdoen. Met argumenten die zij zelf vinden, of die ze anderen horen aanvoeren als bevestiging van hun vaststaande denkbeelden, hoe simpel en stompzinnig die ook mogen zijn, stemmen ze meteen in en applaudisseren ervoor.’

Hoofdthema van deze derde dag is de draaiing van de Aarde om de Zon. De opbouw van de discussie kennen we intussen van de vorige dagen. Steeds worden de opvattingen van Aristoteles onderuit geschoffeld en wordt aan de hand van nieuwe ontdekkingen met de telescoop en gedachtenexperimenten waarschijnlijk gemaakt dat Copernicus het bij het rechte eind had. Simplicio wordt het allemaal zo dol dat hij zelfs grote twijfels uit over de verrekijker die volgens hem alleen maar ‘drogbeelden en illusies’ laat zien.

De vierde dag wijdt Salvati aan de getijdenbewegingen eb en vloed, die voor hem een bevestiging zijn van de dubbele beweging van de Aarde (dagelijks om haar as en jaarlijks om de Zon). De inwerking van die bewegingen op elkaar heeft, om het maar eens heel simpel te zeggen, tot gevolg het geklots van zeewater in intervallen van zes uur. Salvati, door wiens mond natuurlijk Galilei zelf spreekt, was niet op de hoogte van de werkelijke oorzaken van eb en vloed, die hoofdzakelijk in verband staan met krachten van de zon en de maan. Dat inzicht zou pas doorbreken met Newton (Salvati onderscheidt in de Dialoog een dagelijkse, een maandelijkse en een jaarlijkse getijdenperiode, waarvan alleen de tweede zijn oorsprong vindt in de bewegingen van de Maan).

Op deze dag is het dat Galilei de pauselijke voorwaarden voor zijn publicatie schendt door tegen het einde (in de Nederlandse vertaling op pagina 646) Sagredo het volgende te laten zeggen:

‘De gesprekken van deze vier dagen hebben ons belangrijke steunbetuigingen opgeleverd ten gunste van het copernicaanse systeem. Daaronder blijken de volgende drie doorslaggevend: de eerste ontleend aan het stilstaan en achterwaarts bewegen van de planeten en hun naderen tot en zich verwijderen van de Aarde; de tweede aan de draaiing van de Zon om zichzelf en aan wat men bij zonnevlekken waarneemt; de derde aan de getijden.’

Galilei legt die woorden niet in de mond van Salvatio, als een conclusie van zijn eigen woorden. Nee, juist de belangstellende leek die de zaak blanco benaderde, blijkt overtuigd te zijn. Dat ging de kerk te ver. De Dialoog mocht van de paus tegenstrijdige opvattingen verwoorden, maar géén partij kiezen. Gevolg: het boek kwam, net als dat van Copernicus in 1616, op de verboden lijst en de schrijver zelf diende zich voortaan van verder commentaar te onthouden.

Nadat Galilei onder dwang van de katholieke rechtbank zijn standpunt had afgezworen, zou hij gemompeld hebben: Eppur si muove (En tóch beweegt ze). Dat heeft hij volgens de inleiders bij de Nederlandse vertaling zeker niet gezegd. Maar je begrijpt na lezing alleszins dat de legendevorming zo’n verzuchting aan Galilei’s veroordeling heeft willen verbinden.

De Dialoog is een behoorlijke kluif, maar hij bevat mooie pareltjes voor wie bereid is zich te verplaatsen in de vroege 17de-eeuwer die, opgegroeid met rotsvaste zekerheden, op de drempel stond van een enorme ruk aan zijn wereldbeeld.

 

Dialoog over de twee voornaamste wereldsystemen

Auteur: Galileo Galilei
Vertaald door: Hans van den Berg
Verschenen bij: Uitgeverij Athenaeum, Polak & Van Gennep (2012)
Aantal pagina’s: 675
Prijs: € 34,95

 

Omslag Dialoog  -  Galileo Galilei
Dialoog
Galileo Galilei
ISBN: 9789025369989

Meer van Adri Altink:

Recent

18 december 2017

Onvergetelijke hommage aan de Shakespeare van de lage landen

Over 'Ik, Vondel' van Hans Croiset
14 december 2017

Vergane Hollywoodglorie in de Maghreb

Over 'De oppermachtigen' van Hedi Kaddour
13 december 2017

Literatuur uit de provincie

Over 'Ergens op het eind' van Erik Nieuwenhuis
12 december 2017

Troosteloos zal het in Twente wezen

Over 'De heilige Rita' van Tommy Wieringa
11 december 2017

Niet alles hoeft begrepen om te zien hoe prachtig het is

Over 'Finisterre' van Eugenio Montale

Verwant