Mijn stiefzoon, vijftien en stoer, ontdekt Stephen King. Nadat hij eerst Joyland uit de bibliotheek haalde en in een ruk uitlas, vermaakt hij zich inmiddels met twee romans die King onder het pseudoniem Richard Bachman schreef: Rage en The Long Walk. Dat zijn toevallig mijn favorieten. Ondertussen volgen we Under the Dome, waarvan ik begin dit jaar de vuistdikke roman las, en beginnen we aan de miniserie It, zodat we de versie uit mijn geboortejaar kunnen vergelijken met de nieuwe verfilming, nu in de bioscoop. En daarna, ik heb gretig een lijstje samengesteld, wachten onder meer The Green Mile, Shawshank Redemption, The Shining en Carrie. Natuurlijk hoop ik de jongen eerst en vooral aan de boeken te krijgen, maar samen alle verfilmingen bekijken heeft ook wel iets.

Als iemand iets leest, kijkt of luistert dat jij hem of haar aanraadde, is dat net zo precair als wanneer je iemand je lievelingsmop vertelt. Je begint te vertellen en moet halverwege al zo hard lachen dat de ander er niets meer van verstaat en met opgetrokken wenkbrauwen wacht tot het voorbij is – de verwachting, niet voor niets een onuitgepakte teleurstelling, is zo groot dat het alleen nog maar kan tegenvallen. Hoe vaak heb ik niet mijn allerfavorietste liedje voor iemand opgezet die niet eens zijn of haar best deed om te verhullen dat het niet overkwam? Sinds ik besloot alleen boeken cadeau te doen die ik zelf goed vind, zit ik nooit meer om een cadeau-idee verlegen, maar als de ontvanger het dan niets vind, is dat extra jammer. Ik moet mijn enthousiasme temperen voor het de jongen weerhoudt de dingen die ik aanreik helemaal te omarmen.

Over Stephen King is het makkelijk zeggen dat het een platte schrijver is, want ergens heeft het idee postgevat dat schrijvers van spannende verhalen zich niet bezighouden met taal, een idee zo hardnekkig als hoofdluis in een peuterspeelzaal – dit terwijl King uiterst zorgvuldig met stijl omspringt. Zijn timing is precies, zijn herhalingen bezwerend en zijn werk zit vol schitterende details. Vaak denk ik zomaar terug aan het stierenmasker uit Rose Madden, of aan Churchill, de kat in Pet Sematary – of aan vieze kussentjes.
‘Wat ik zo goed vond, is dat stukje over dat meisje met het lange haar.’
Mijn stiefzoon kijkt me aan, Rage ligt opengeslagen op schoot.
‘Halverwege het begin.’ Ik wijs op het boek. ‘Charlie loopt door de gang naar zijn klaslokaal en passeert een meisje met een pokdalig gezicht. Als ze elkaar voorbij zijn, draait hij zich om en denkt: ja hoor, van achter had het Miss World kunnen zijn.’
‘Dat je dat onthoudt.’
Natuurlijk onthoud ik zoiets, die observatie zegt immers alles over Charlies karakter. Daarin zit Kings kunnen. Maar dat zeg ik niet tegen de puber, die laat ik rustig verder lezen. Er is iets moois gaande: dankzij een van mijn lievelingsschrijvers zie ik in huis een lezer geboren worden. Ik plof naast hem op de bank met mijn eigen King: It. Benieuwd wat hij daar straks van vindt.