5 oktober 2015

Bushokboeken

Stefan Ruiters

Uitstalling als sociaal experiment

Sommigen werpen een blik naar binnen tijdens het lopen, een enkeling stopt, de meesten staan er met hun rug naar toe. Of kijken wel maar zien ze niet. Boeken, mooi uitgestald achter het raam op een tafel van de ontwerper Kho Liang Ie. De brieven van Vincent van Gogh, een monografie over Anselm Kiefer, een paar titels van Friedrich Nietzsche, een Atlas of the Functional City en een set boeken over het 19de eeuwse Parijs van de fotograaf Eugène Atget. Het hoeft ook niet, ik ben geen boekhandel met openingstijden. Maar aanbellen mag als je een boek wilt zien. De uitstalling is voor mij een sociaal experiment geworden.

Sinds een een paar maanden woon en werk ik in Nieuw-West, stadsdeel Geuzenveld op de grens naar Osdorp. Daarvoor heb ik meer dan tien jaar een winkel gehad in één van de negen straatjes in hartje Amsterdam, tussen de grachten. Heel anders dus.

Ik had besloten mijn bureau aan de straatkant te zetten omdat aan de achterkant een gemeenschappelijke tuin is waarin kinderen een jungle creëerden en waarin dagelijks het darwinistische principe survival of The Fittest de boventoon voert.

Als ik vanaf mijn werkplek naar links kijk, zie ik een bushokje. Halte Troelstralaan voor de buslijnen 69 en 61, richting Schiphol en Slotervaart. Ik zie vanaf deze plek veel mensen, wachtend op de bus. Ogen gericht op de straathoek waar de bus verschijnen moet. Ze willen weg van deze plek. Naar werk, school, familie of vliegtuig.

Terwijl e-mails met bestellingen uit Nederland en uit de rest van de (vooral) Westerse wereld binnenkomen, heeft nog geen enkele wachtende een keer aangebeld en om een boek gevraagd. Het grote raam dat ons scheidt, lijkt een scheiding te markeren van werelden van verschil: leefwereld, denkwereld, culturele wereld. Is dat ook zo? Ik zou eigenlijk gewoon eens op een wachtende moeten afstappen en vragen of het haar/hem is opgevallen dat ik hier zit. Met kasten vol boeken, achter dat grote raam, op vier meter afstand van de doorgaande straat, de buurtring zoals de gemeente deze weg noemt.

De wachtende mens als beschouwelijk object. Tweederde is vrouw, denk ik.  Alle huidskleuren zijn vertegenwoordigd. Blank is in de minderheid. Ik vind dat geen vervelende gedachte. Waarom zouden wij, witte mensen, dit deel van de aarde claimen. Omdat we er een paar eeuwen hebben gewoond?

Sommigen gebruiken het bushokje als spiegel of om van zich af te staren, of misschien wel ter meditatie. Toevallige ontmoetingen vinden er plaats. Een enkeling rookt een sigaret, de meesten kijken op hun smartphone, luisteren muziek middels koptelefoon of oortjes en er wordt veel gesmst en geappt. Haarkleur is vooral donker, mediterraan, Afrikaans, Oost-Europees, Aziatisch. Soms een blonde dame, of een wat oudere blanke heer. Vaker is de haarkleur verstopt onder een hoofddoek, petje of shawl.
Ik vraag me wel eens af: Hoeveel van hen hebben gisteravond de tv uitgelaten en een boek opengeslagen?


JOOT.NL

 

Recent

21 maart 2017

Intrigerende zwakheden

20 maart 2017

De zee in Tilburg

Literair Nederland - 10 jaar geleden

26 maart 2007

Zonder dat hij het wist, keek ze hem telkens na als hij voorbijkwam, de winkelierster, langs de zaak, soldaat Brû. Hij liep daar heel ongedwongen, in zijn vrolijke kaki klof, met zijn haar, tenminste wat er onder de kepie van te zien was, zijn haar keurig geknipt en nagenoeg glanzend, zijn handen langs de naad van zijn broek, handen waarvan de ene, de rechter, met onregelmatige tussenpozen omhoogging om een superieur te eren of de groet van een gedemilitariseerde te beantwoorden. Niet bevroedend dat hij elke dag door een bewonderend oog werd vastgepind op de weg die hem van de kazerne naar het bureel voerde stapte soldaat Brû, die in het algemeen nergens aan dacht, maar als hij dat toch deed dan het liefst aan de slag bij Jena, stapte soldaat Brû voort met de onbevangenheid van een niet-bewuste. Met zijn niet bewust grijsblauwe ogen en zijn niet bewust elegant omwikkelde beenkappen droeg soldaat Brû heel naïef al het nodige met zich mee om in de smaak te vallen bij een jongejuffrouw die niet helemaal jong meer was en ook niet helemaal juffrouw. Het ontging hem.

Zonder dat hij het wist, keek ze hem telkens na als hij voorbijkwam, de winkelierster, langs de zaak, soldaat Brû. Hij liep daar heel ongedwongen, in zijn vrolijke kaki klof, met zijn haar, tenminste wat er onder de kepie van te zien was, zijn haar keurig geknipt en nagenoeg glanzend, zijn handen langs de naad van zijn broek, handen waarvan de ene, de rechter, met onregelmatige tussenpozen omhoogging om een superieur te eren of de groet van een gedemilitariseerde te beantwoorden.

Lees meer