29 juni 2015

De stad aan de rand van de hemel – Elif Shafak

Wit als gekookte rijst, zwart als de nacht

Recensie door Els van Swol

Achter in het achtste boek van de schrijfster Elif Shafak dat bij uitgeverij De Geus verschijnt, zit een verklarende woordenlijst die bij lange na niet voldoet. Dat zegt veel over de westerse onkunde wat betreft de oosterse wereld in het algemeen en de islam in het bijzonder. En evenveel over het optimisme van de uitgever dat de westerse lezer nu toch wel eens het één en ander over de niet-westerse cultuur zou mogen weten. Dat De Geus het werk van de van oorsprong Turkse schrijfster ondanks zeven eerder verschenen vertalingen toch ook weer niet als zó bekend veronderstelt, blijkt echter uit het omslag waarop de potentiële lezer(es) wordt gelokt met een: ‘Voor de lezers van Isabel Allende.’ Of deze vlag de lading dekt, is aan de lezer om te beoordelen. De associaties kunnen ook richting Charles Lewinsky gaan, met het vleugje new age van Dan Brown en de detective-stijl van Umberto Eco. Om nog maar te zwijgen van Orhan Pamuk. Maar die auteurs worden allemaal niet door De Geus uitgegeven, zodat Allende eerder voor de hand leek te liggen.

Eerst in grote lijnen het verhaal. De hoofdpersoon van het lijvige boek is de jonge Jahan uit een dorp ‘zo hoog in de bergen dat ze boven de wolken sliepen, zwevend tussen hemel en aarde.’ Hij komt samen met de witte olifant Chota (= kleintje) aan in het 16e eeuwse Istanbul. De olifant is bestemd voor sultan Süleyman. Van de kapitein van het schip waarmee hij aankomt, krijgt Jahan de opdracht op dievenpad te gaan in het paleis van de sultan. Jahan meent ook in één moeite door wat juwelen voor zichzelf te kunnen houden.

De olifant wordt beschreven als de sultan van de dieren, een halve heilige zoals een witte raaf met tal van buitengewone en ook antropomorfe trekken. De dochter van de echte sultan, Mihrimah, is dol op het kleine witte beest, ‘zo wit als gekookte rijst.’ Jahan verbeeldt zich, dat ze ook dol is op hem en vertelt haar zijn levensverhaal. Het kindermeisje van Mihrimah kan het – terecht, zo blijkt later – niet geloven. Dit zal hem berouwen, zegt ze.

Chota moet binnen drie dagen leren hoe hij dieven, moordenaars en verkrachters moet vertrappen, zoals dat gebruikelijk is in Hindoestan (India), het land waar hij en naar het heet Jahan vandaan komen. De olifant vertikt het, net als het doen van kunstjes op verzoek van de sultane. Maar aan de krijgsdienst kan hij niet ontsnappen. Samen met Jahan helpt hij de christelijke timmerman, en latere architect Sinan met het bouwen van een brug over de Proet. Maar hij helpt ook weer met het afbreken ervan, nadat het Ottomaanse leger was overgebracht naar de andere oever. 
Na de oorlog met de Janitsaren volgt de pest, ‘overgebracht uit het Westen, zoals alle kwaad.’ Eerst krijgen de joden de schuld, dan de christenen, vervolgens de soefi’s en uiteindelijk ‘een dwergvrouw.’ Door deze onterechte aantijgingen ontsteekt Chota in woede en stormt op de mensenmenigte af …

Jahans denken keert op het moment dat hij, met een gestolen bidsnoer in de hand, op de grond onder de koepel van de Süleymaniye-moskee ligt en ervaart dat ‘de koepel was versmolten met het uitspansel erboven.’ Hij bedenkt zich dat christenen, joden, moslims en andere mensen onder diezelfde hemelkoepel leven. Jahan begint te lezen: bij de joodse boekhandelaar en in Rome onder de koepel van de Sint Pieter.

Wijsheden als die uit de mond van de sultan dat er geen verschil is tussen de eigen soldaten en die van de vijand, christenen en moslims, worden in het verhaal afgewisseld door grote en kleine (natuur)rampen, waarbij Chota – natuurlijk – Jahan uit barre situaties redt. Bijvoorbeeld uit een brandend huis waarin hij op zoek is naar schatten om te stelen, maar ook naar een achtergebleven baby. De lering die uit dergelijke episodes valt te trekken, is: de mens is zowel goed als kwaad.

Het wordt Jahan op een gegeven moment toch te heet onder de voeten. Hij stapt, vermomd, op een boot en staat dan opeens tegenover een paard dat op hol slaat. De naam van het paard is Zwart. Het kan geen toeval zijn: het tegenovergestelde van de witte olifant. Een episode die slechts kort wordt aangesneden, maar binnen het verhaal van wezenlijk belang is en symbool staat voor de inborst van Jahan die, zoals overigens elk mens, slechte en goede kanten heeft, zwart en wit.

Uiteindelijk komt Jahan via omzwervingen in Agra (India) aan wal en het leek ‘bijna alsof hij terugkwam op een plek, waar hij al eerder was geweest.’ Hij wordt in India één van de koninklijke hoofdarchitecten. Het verhaal kan bijna weer opnieuw beginnen. Maar met dit verschil, dat Jahan wijzer is geworden en hoopt dat ‘mensen meer zouden leven zoals dieren, zonder na te denken over het verleden of de toekomst.’

Mooi is dat het karakter van Jahan onder de schrijvershand van Shafak gaandeweg het verhaal groeit, al blijft er een tweespalt in zijn wezen: in Turkije zowel gezel van de koninklijke hoofdarchitect Sinan als mahout (dierenoppasser) en later in India zelf koninklijke hoofdarchitect. 
Het is natuurlijk de bedoeling van het boek, dat die andere tweespalt, de goede kant van Jahan en zijn neiging om al dan niet in opdracht te stelen, tot een eenheid wordt samengevoegd. Dat kan pas als Jahan alles wat hem is toegevallen ook begrijpt. 
Actueel is het boek ook. Niet alleen door de verhouding tussen de godsdiensten die wordt beschreven, die dan weer ideaal en dan weer vijandig is, maar ook door de visie op (bouw)kunst. Sinan staat primair voor schoonheid, Jahan voor nut. 
De new age-trekjes waarmee het boek zijn gelardeerd, zoals de wat overdreven overkomende, bijna heiligverklaring van Chota, die na zijn dood Chota Baba heet, en het luisteren naar wat bomen willen vertellen, zullen niet alle lezers aanspreken. Toch zijn ze niet zo overheersend, dat het stoort. Rest een goed in elkaar vervlochten, poëtisch en in ieder geval beter dan Dan Browns boeken geschreven en mooi vertaald verhaal. Of liever: serie verhalen in de rijke oosterse verteltraditie.

 

De stad aan de rand van de hemel

Auteur: Elif Shafak
Vertalers: Frouke Arns en Manon Smits
Verschenen bij: De Geus
Aantal pagina’s: 542
Prijs: € 24,95

De stad aan de rand van de hemel
Elif Shafak
ISBN: 9789044535099

steun-ons

Het aantal gedegen langere recensies in dag- en weekbladen neemt af. De medewerkers van Literair Nederland doen hun uiterste best om deze lacune op te vullen. Dit doen wij onbevooroordeeld, zonder deadlines en voor de gebruikers gratis.

Om nieuwe functionaliteiten toe te voegen, ons archief toegankelijker te maken en onze recensenten op te leiden tot professioneel niveau, is uw hulp nodig. Helpt u ons met uw donatie?

 

 

Meer van Els van Swol:

25 december 2016

Dingen in de tijd

Over 'Leven en schrijven in tijden van oorlog' van David Grossman
8 december 2016

Een paradijs na de zondeval

Over 'De blauwe maanvis' van A.N. Ryst
16 november 2016

Er was eens en er was eens niet

Over 'De gijzelaar' van Karin Giphart

Recent

16 januari 2017

Sprookjes hebben geen woorden nodig

Over 'Sprookjes van Grimm zonder woorden' van Frank Flöthmann
12 januari 2017

Een blik in de spiegel

11 januari 2017

Reis door het leven

Over 'De tere bloemen van het verstand' van Myrte Leffring
10 januari 2017

Een echt Renaissance-mens

Over 'Rusteloos en overal' van Michiel van Kempen
9 januari 2017

Berichten uit het bezemhok

Over 'Zonder rampspoed valt er niets te melden' van Frans Pointl

Verwant

29 juni 2015

Rake klappen

Over 'Ik vind het best ' van Elif Shafak
29 juni 2015

De kleine strijdster

Over 'De geur van vrijheid ' van Elif Shafak
29 juni 2015

Kamphuis heeft zichzelf bewezen

Over 'Aurore ' van Elif Shafak