3 februari 2017

De (on)geschikte jongen

Door Inge Meijer

Ik dacht dat er op deze wereld wel eens één iemand zou kunnen zijn die heel erg behoefte heeft aan iets moois, iets schoons, iets helders iets prachtigs. Aan woorden die kloppen en niets anders teweeg brengen dan zachtheid, compassie en mededogen nadat er al teveel woorden als verzengende lava over de wereld werden uitgebraakt en waar iedereen als door een zika-mug gestoken op reageerde. Die iemand wordt op zijn vrije zaterdag gebeld door verontwaardigde wereldleiders, die niet snappen waar je mee bezig bent. Dat je weer moet uitleggen: ‘Ik ben met meerderheid gekozen en het was heel druk bij mijn inauguratie’. Als antwoord verbreken ze botweg de verbinding. En daar zit je dan. Constant worden afgerekend op wat je zegt en doet, gaat je niet in de koude kleren zitten. Op een gegeven moment weet je ook wel dat je niet zo slim bezig bent maar dat kun je  niet toegeven want dat ligt nu eenmaal niet in je aard. En dan is er iets nodig van een geheel andere orde.

 

Ik had een nogal mokkende week achter de rug omdat niemand echt meedeed met wat ik wilde. Mijn lief maakte een vermoeide indruk als hij mij zag en van ingehouden woede kon ik de slaap niet vatten. Op een nacht sloeg ik het dikste boek dat ik had en steeds maar bewaarde – zoals sommige mensen het lekkerste hapje op hun bord voor het laatst bewaren, zo schoof ik dat boek  steeds opzij – open. Het was een boek van Vikram Seth, De geschikte jongen en telde 1357 – met fijne drukletter vol gedrukte – dunne bladzijden. Maar wat een mooie bladzijden! Het begon al met de inhoudsopgave, wat een compleet gedicht bleek.  Ik las het als betoverd en wenste dat iemand aan mijn bed kwam zitten en me de regels zou voorlezen. Dat ik even niet hoefde te morren, niet de baas zijn en zeggen dat ik de grootste ben. Iemand naast mijn bed, mijn hand vasthoudend en met zachte stem de zinnen een voor een opzegt in de nacht:

 

1 Twee jonge mensen raken aan de praat.
    Een moeder mokt; een souvenir vergaat.
2 Een courtisane zingt koel haar zwoele lied.
    Vol hoop koopt een aanbidder een parkiet.
3 Een paartje laat zich steels op de baren wiegen.
    Een moeder vreest haar hoop te zien vervliegen.
4 Twee mannen lopen warm voor ’t schoenenvak.
    Een ander snijdt twee broques, met groot gemak.
5 Er vloeit bloed in een steeg: in ’t parlement.
    Haalt een harpij uit naar haar opponent.
6 Een baby schopt; een boze radja gromt.
    Een jongen kiest de goot; een vader bromt
(…)
14 Ook in de strijd blijft de premier en heer.
     Oprecht bewijzen zoons hun doden eer.

 

Bezwerende regels om bij weg te dromen, fantasie te laten stromen (fantasie, fantasie daar ontbreekt het aan). Betoverd raken, flabbergasted en denken What the …!  Maar het is mooi, het is mooi, en dan moet het verhaal nog beginnen, 1357 bladzijden vol mooie beschrijvingen, gedachtenspinsels, koloniale geschiedenis. En ik dacht: lees ‘m eens voor!

 

 

Recent

21 maart 2017

Intrigerende zwakheden

20 maart 2017

De zee in Tilburg

Literair Nederland - 10 jaar geleden

26 maart 2007

Zonder dat hij het wist, keek ze hem telkens na als hij voorbijkwam, de winkelierster, langs de zaak, soldaat Brû. Hij liep daar heel ongedwongen, in zijn vrolijke kaki klof, met zijn haar, tenminste wat er onder de kepie van te zien was, zijn haar keurig geknipt en nagenoeg glanzend, zijn handen langs de naad van zijn broek, handen waarvan de ene, de rechter, met onregelmatige tussenpozen omhoogging om een superieur te eren of de groet van een gedemilitariseerde te beantwoorden. Niet bevroedend dat hij elke dag door een bewonderend oog werd vastgepind op de weg die hem van de kazerne naar het bureel voerde stapte soldaat Brû, die in het algemeen nergens aan dacht, maar als hij dat toch deed dan het liefst aan de slag bij Jena, stapte soldaat Brû voort met de onbevangenheid van een niet-bewuste. Met zijn niet bewust grijsblauwe ogen en zijn niet bewust elegant omwikkelde beenkappen droeg soldaat Brû heel naïef al het nodige met zich mee om in de smaak te vallen bij een jongejuffrouw die niet helemaal jong meer was en ook niet helemaal juffrouw. Het ontging hem.

Zonder dat hij het wist, keek ze hem telkens na als hij voorbijkwam, de winkelierster, langs de zaak, soldaat Brû. Hij liep daar heel ongedwongen, in zijn vrolijke kaki klof, met zijn haar, tenminste wat er onder de kepie van te zien was, zijn haar keurig geknipt en nagenoeg glanzend, zijn handen langs de naad van zijn broek, handen waarvan de ene, de rechter, met onregelmatige tussenpozen omhoogging om een superieur te eren of de groet van een gedemilitariseerde te beantwoorden.

Lees meer