Louis Couperus – De Ongelukkige

Persoonlijk noodlot en een vallende granaatappel

Recensie door Adri Altink

Als je het Alhambra in Granada bezoekt kan je in het winkeltje vlakbij de hoofdingang het boek Tales of the Alhambra van Washington Irving aanschaffen. Het ligt er zelfs in Nederlandse vertaling (met de foutieve titel Vertalingen van het Alhambra op het omslag). Enkele van de verhalen gaan over de lotgevallen van Boabdil, de laatste Moorse vorst in Spanje tijdens de Reconquista, die eindigde in 1492.

Het is prikkelend om je voor te stellen dat Louis Couperus precies 100 jaar geleden net als jij zelf in de lentezon op de opstapjes voor het winkeltje zat, bladerend in hetzelfde boek van Irving. Het is zelfs waarschijnlijk dat het zo was, want in het Nawoord bij de heruitgave van Couperus’ De Ongelukkige verhaalt literatuurcriticus Mark Cloostermans dat de schrijver in 1913 een Spanjereis maakte waar hij geen plezier aan beleefde. Tot hij in Andalusië belandde en daar in aanraking kwam met de overblijfselen uit de Moorse tijd. Hij las in Granada het boek van Irving en bereisde de plaatsen waar het leven van Boabdil zich had afgespeeld. Het wakkerde zijn schrijverschap weer aan, dat hij net had losgelaten: zijn romans verkochten nauwelijks nog en hij verdiende er amper nog wat aan. Bovendien twijfelde hij of hij voldoende historische kennis bezat om een nieuw project aan te durven. In december van dat jaar kwam hij niettemin al met een voorpublicatie. De roman zelf kwam in 1915 op de markt (vertraagd vanwege de Eerste Wereldoorlog), maar het werd geen bestseller. In december 1915 kwam bovendien nog een kort verhaal uit, De dood van den Dappere, een staartje aan De Ongelukkige.

In het Couperusjaar 2013, waarin wordt herdacht dat de auteur 150 jaar geleden werd geboren, heeft L.J. Veen, ook destijds al uitgever van het meeste werk van de Hagenaar, De Ongelukkige opnieuw uitgegeven. Dezelfde Veen, die Couperus in 1913 niet het gevraagde honorarium wilde betalen waardoor de schrijver naar een andere uitgever liep.

Honderd jaar later zet Veen op het omslag: ‘De herontdekking van Couperus’ betoverende avonturenroman’. Daar valt wel wat op af te dingen. Eerder lijkt het eeuwfeest van het ontstaan van de roman de invalshoek om hem in het Couperusjaar nog eens uit te brengen. Dat de sympathie van de schrijver bij de verliezer lijkt te liggen en dat De Ongelukkige dus geen anti-moslimroman is, zoals Cloostermans schrijft, lijkt een wat mager argument om te spreken van de herontdekking van een eigenzinnige kijk op de clash van katholicisme en islam. Er straalt zelfs enige gemakzucht af van deze heruitgave. Het is gewoon een reprint van de editie uit 1994 op goedkoop papier, zonder (op het Nawoord na) annotaties. Die hadden de herdruk een meerwaarde kunnen geven, want je kunt je tevens afvragen wat voor hoger doel wordt gediend met het op zo’n sobere manier uitgeven van een roman die toch al digitaal op internet te vinden is (www.dbnl.org).

Het betekent allemaal niet dat een (hernieuwde) kennismaking met de roman (in de spelling van 1913) verloren tijd is. Couperus vertelt de geschiedenis van Boabdil (de Spaanse naam voor Aboe-Abdallah) als een sprookje in een taalgebruik en stijl die we van zijn beroemdste romans zoals Eline Vere, De stille kracht, en Van oude menschen, de dingen, die voorbijgaan niet gewend zijn. Het sprookjesachtige wordt meteen duidelijk. In de eerste 12 regels duiken al vier samenstellingen met het woorddeel ‘toover’ op. Ook het taalgebruik draagt daaraan bij. Couperus is in deze roman bijna een dichter, die zwelgt in poëtische zinsconstructies, binnenrijmen, alliteraties en andere klankverwantschappen. Je moet er 100 jaar later misschien maar net van houden, maar, toegegeven, er zitten fraaie voorbeelden tussen. Zoals in de beschrijving van de ongeruste breekbare vrouw van Boabdil in haar sluier: ‘Hare teedere leden vertengerden nog in de getrokkene doorzichtigheid van het dunne gaas, dat spinneweefde om hare lichte gestalte’. Of deze over de strijdlustige pubers in het Spaanse leger: ‘Hunne spieren smachtten zich te ontspannen, terwijl nauwelijks hun snorretjes donsden’. Maar soms weet Couperus geen maat te houden, zoals in ‘…de drie witte Wijzen, die wandelden langs de wallen, waren de onwezenlijkheid ervan…’.

Af en toe lijkt het zelfs of Homerus een gevecht aan het beschrijven is:

Hij zag in de zon het wapengeflits, dat naderde langs den heuvelenden weg. En hij herkende de lange lansen, die schoten de gouden bliksems, de ronde schilden, die schoten de gouden sterren. Hij herkende de ronde helmen; zij straalden de flapperschaduwen door, die neêr sloegen de wappere vanen. De flikkerende maliënruiten der rustingen omgordden de ruiters en verforschten hunne fiere, rechte torsen, die torsten de aantrappelende rossen, wie de roode hoezen omhuifden; roode pluimebossen wuifden. Kromme klingen kletterden met, de van email en gesteente schitterende, kromme scheeden, hangende met koorden en kwasten om de nekken der ridders, die naderden; de ruiterij volgde machtig en zwaar. En er was geklater van koperen trompetten en schel geschetter van fel schitterende fluiten en dwars door àl bommende trommen, die daverende rommelden.

Je hoort er met wat goede wil zelfs de homerische hexameters in.

Er klinkt inderdaad nogal wat wapengekletter in de roman, niet alleen tussen Spanjolen en Moren, maar ook binnen die partijen. Boabdil, die zelf aan de macht is gekomen door zijn vader aan de kant te zetten, betwist op zijn beurt later weer de macht met zijn oom El Zagal, de broer van zijn vader. Als zij hun strijd uitvechten in de straten van Granada – El Zagal bewoont op dat moment het Alhambra en Boabdil zit met de laatste getrouwen, opgesloten in het Alcazar – grijpen ineens de Drie Wijzen in die op meer beslissende momenten in de roman opduiken. Ze overtuigen beiden ervan dat ze samen moeten staan voor een islamitische toekomst en gezamenlijk dienen op te treden tegen de katholieke Spanjaarden. De onderlinge machtsstrijd was overigens door diezelfde katholieken aangewakkerd. Zij hadden Boabdil verslagen in een gevecht bij Loxa, maar hem goed behandeld en vrijheid en steun beloofd als hij hun vazal wilde worden. Ze stelden hem het koningschap in het vooruitzicht over alle gebieden die Spanje op El Zagal zou veroveren.

Maar ook in het katholieke kamp is er verdeeldheid tussen de fanatiekelingen die de Moren het liefst zo snel mogelijk afslachten en het koninklijke paar Ferdinand II van Aragón en Isabella I van Castilië. Vooral de laatste ziet liever dat de Moren worden bekeerd dan dat er bloed vloeit.

De Ongelukkige uit de titel is Boabdil. De drie Wijzen hebben zijn ouders bij zijn geboorte al voorspeld dat hij tijdens het leven van zijn vader zal regeren, dat hij ongelukkig zal zijn en dat hij de Granaatappel zal verliezen en anderen de pitten zullen plukken. De roman draait vooral om die tweede voorspelling, die mede leidt tot vervulling van de derde.

Boabdil is een weifelmoedige koning, die steeds tussen twee vuren zit. Enerzijds heeft hij zijn macht te danken aan het Spaanse koningspaar waarvan hij de vazal is en dat zijn enige zoon in Córdoba gegijzeld houdt. Anderzijds komt hij voortdurend in conflict met zijn geloofsgenoten die hem verwijten dat hij zijn hoogste opdracht, het verslaan van de Ongelovige (de niet-moslim), verzaakt. Zijn positie loopt enkele keren gevaar als de Moorse bevolking lijkt te kiezen voor El Zagal, die wel driest ten strijde trekt en de ander als Koning laat regeren in Granada. Boabdil ziet zich voortdurend als speelbal van het Noodlot, als de Ongelukkige.

Dat wordt hij in zijn ogen des te meer als hij zijn vrouw onterecht beschuldigt van overspel, een trauma dat hij de rest van zijn leven mee zal dragen. Couperus is in de beschrijving van deze persoonlijke geschiedenis tussen de twee echtelieden op zijn best. Hij wendt hierin zijn rijke scala aan schilderingen van noodlottigheden, angsten en wantrouwen aan in een opbouw die het boek – ondanks zijn voor ons wat bombastische taalgebruik – bijna tot een thriller maakt.

De derde profetie van de Wijzen gaat onontkoombaar in vervulling als aan het eind van de strijd de stad Granada (de Granaatappel) in handen van de Spaanse vorsten valt. Ongelukkiger kon Boabdil niet meer worden. Hem rest nog slechts een aftocht onder een vrijgeleide van Isabella van wie hij zijn gegijzelde zoon terugkrijgt.

En hoe verging het El Zagal verder? Ook hij overleefde de strijd, maar daar blijft het bij in de roman. Couperus had voor de beschrijving van diens tragische oude dag en levenseinde het toetje nodig dat in deze uitgave is opgenomen: De dood van den Dappere. Wie is er nu gelukkiger geweest, lijkt Couperus in deze appendix op te werpen: Boabdil of El Zagal?

 

 

 

Omslag De Ongelukkige - Louis Couperus
De Ongelukkige
Louis Couperus
Verschenen bij: LJ Veen Klassiek
ISBN: 978905759321
280 pagina's
Prijs: € 12,50

Meer van Adri Altink:

Recent

14 december 2017

Vergane Hollywoodglorie in de Maghreb

Over 'De oppermachtigen' van Hedi Kaddour
13 december 2017

Literatuur uit de provincie

Over 'Ergens op het eind' van Erik Nieuwenhuis
12 december 2017

Troosteloos zal het in Twente wezen

Over 'De heilige Rita' van Tommy Wieringa
11 december 2017

Niet alles hoeft begrepen om te zien hoe prachtig het is

Over 'Finisterre' van Eugenio Montale
8 december 2017

Over de grenzen tussen feit en fictie

Over 'Broeder, schrijf toch eens!' van Rinus Spruit

Verwant