Godelieve Prantl – De nacht is bont en blauw

Zinnen van eenvoud en trefzekerheid

Recensie door Karel Wasch

Godelieve Prantl (1948) debuteert met deze fraai uitgegeven bundeling van haar gedichten. De 20 gedichten uit De nacht is bont en blauw zijn in vier cycli verdeeld: Cyclus van 7, Kou, Kinderkamer en Halleluja. De eerste cyclus is beschouwend, de cyclus Kou adembenemend. In Kinderkamer komen we tedere gedichten tegen en Halleluja is wat luchtiger van toon. Dat geeft een uitgebalanceerde dynamiek aan deze bundel. Ze schaafde duidelijk veel, want de gedichten, die we krijgen voorgeschoteld zijn van een bedrieglijke eenvoud, maar zeer goed uitgewerkt. Zoals het openingsfragment uit de Cyclus van 7:

De zon komt op in neveljas
reigers bassen luid
er valt een vis

Laat de reiger de vis uit zijn snavel vallen? Is hij betrokken bij het opkomen van de dag? Of valt er een vis uit de hemel omdat het een bijzondere dag gaat worden? Is dit het begin van een dag, zoals nooit tevoren? Het is het openingsgedichtje van de bundel. Het is een stukje uit het gedicht Februari , waarin ook de zin van de titel: De nacht is bont en blauw.(.) voorkomt.

De vader en moeder van de dichteres staan centraal in de eerste gedichten. Verwondering ook over kinderen, die ouders worden en vaders, die nu opa zijn.

Zinnen van een grote eenvoud en trefzeker neergezet. De grootmoeder en de dochter hebben een ontmoeting en de moeder kijkt naar de dochter die ook vrouw en moeder is: (.) haar rimpels, meisjesblik verbaasd.(.). We kloppen aan met warme broden, water. Hierin zit speels water en brood. Wie staat er op water en brood? Of is het zijn het de essentialia van het leven? Er is immers een kind geboren, want de geur van luier leidt hen door het huis. De moeder en de dochter houden van de vader (dezelfde man). En dan komt het: de moeder weer, de dochter later.

Verderop wordt in een titelloos vers de vader weer neergezet:
Met losse handen walst hij naar de troon
mijn vader koning wacht geslepen
tot ik opkijk naar zijn kroon (…)
maar aan het eind van het gedicht is de dichteres dichtbij de vader gekomen: Ik kan de vader koning aan.

Hij is niet meer de kruising tussen God en Sinterklaas, maar veeleer de belofte, de realiteit van alle dag geworden. En die moeten we aan kunnen. Die moeten we gewoon accepteren. En die acceptatie zit in meerdere gedichten van Prantl. Wat dit betreft staat ze nadrukkelijk in een Hollandse traditie en doen haar gedichten in de verte denken aan een gigant als Martinus Nijhoff, die weliswaar de grote vragen van het leven ter sprake bracht maar op een uiterst (voor het oog-) simpele wijze. In het weglaten toont Prantl zich een meesteres. Nergens bombast, geen komma, geen bijvoeglijk naamwoord vooral ook, te veel.

Sommige gedichten in deze bundel zijn uit een ijskoude sfeer geschapen. Neem ‘Enkelspoor’:

Moeders moeder ging niet dood van kou
ze droeg een blauwe jas, een kraaltjestas
als ze op zondag kwam
zij had haar winkeltje in aria’s gesloten
borg haar jurken van brokaat, liet
de kinderen op haar spitzen lopen
zij bracht haar zussen weg
brieven kwamen terug
verhalen zongen rond van
prikkeldraad en smalle bedden
moeders moeder ging niet dood van water
brood met niets erop, zij werd gered
voorop de stang van Noach’s fiets gezet
zij droomde dat haar zussen alle zes
nog één keer kwamen
haar op de schouders namen
om haar dood te vieren.
Een mooi gedicht, waarin beelden worden opgeroepen met een grote- soms zelfs dreigende- diepte. Zoals in de derde strofe
(..)verhalen zongen rond van
prikkeldraad en smalle bedden (..)

Waren het joodse familieleden, die werden ‘weggebracht’ ?(zo zei men dat met gevoel voor understatement vlak na de oorlog). De zes zussen die ze verloor, moeten in de laatste strofe maar terugkeren. Maar waarom? Om haar dood te vieren. Wordt dood gevierd?

Pas nu begrijpen we ook de eerste twee strofes, waarin de grootmoeder (moeders moeder) de aria’s had opgeborgen. Zoveel leuks was er niet meer namelijk door de dood van haar zussen. Wat een drama in een gouden notendop! Het Enkelspoor uit de titel was een weg zonder terugkeer. Wie het concentratiekamp Vught bezoekt, ziet een rail omgebogen naar de hemel. Daar eindigde de reis en vaak ook het leven. En wat enkele wonden laat dat achter.

Maar Prantl schuwt ook de absurditeit niet, die ze komisch opdist in een gedicht als

De kamer
Als een dobbelsteen rol je de kamer binnen, zes!
je mag beginnen; de stoel vangt je jas
de bank je tas, de vloer zegt: kom op met die schoenen
met de hiel op de grond telt de voorvoet tot vier (..)
Of ze kan teder zijn en met woorden strelen:
Morgen
kom ik je wekken, laat je
het strand zien
het licht van de zee (..)
In de laatste cyclus Halleluja staat het enige luchtige vers van de bundel Ode aan de merel met de verrukkelijke zin:
Wil mij uw snavel lenen
uw vleugels voor de hoogste tak (..)

Reizen van het ene gedicht naar het andere en ieder gedicht in deze bundel is de moeite waard. Middernacht moet men lezen over de dood van de moederfiguur en vooral ook Apparaat over de vader die niet meer kan lopen. Wat een rijk palet heeft deze dichteres! Vakmanschap en een fraaie stijlbeheersing.

 

 

Omslag De nacht is bont en blauw - Godelieve Prantl
De nacht is bont en blauw
Godelieve Prantl
Verschenen bij: Nymfaeum Pers
ISBN: 9789081027083
31 pagina's
Prijs: € 0,00

Meer van Karel Wasch:

Recent

15 december 2017

Drakenbloed en hoestende koeien

Over 'Tijl' van Daniel Kehlmann
14 december 2017

Vergane Hollywoodglorie in de Maghreb

Over 'De oppermachtigen' van Hedi Kaddour
13 december 2017

Literatuur uit de provincie

Over 'Ergens op het eind' van Erik Nieuwenhuis
12 december 2017

Troosteloos zal het in Twente wezen

Over 'De heilige Rita' van Tommy Wieringa
11 december 2017

Niet alles hoeft begrepen om te zien hoe prachtig het is

Over 'Finisterre' van Eugenio Montale

Verwant