8 november 2016

De ambitie iets teweeg te brengen – Luuk Imhann

Mark Opfer is optredend dichter en organisator van Salon op de dijk, een jaarlijks poëziefestival. Hij interviewde voor Literair Nederland Luuk Imhann die in oktober debuteerde met de roman Paradijs.

Interview door Mark Opfer

Soms kom je beginnende schrijvers tegen waar de werklust van afspat. Schrijvers waarvan je gelijk weet, deze persoon gaat iets bijzonders maken. Of anders sterft ie op zijn achtentwintigste.
Luuk Imhann (1986) is gelukkig al ouder dan 28 jaar en onlangs presenteerde hij zijn debuutroman Paradijs, een boek over waanzin. Tijdens de presentatie werd Imhann geflankeerd door jonge vrouwen die voorlazen uit Shakespeare’s King Lear. Zijn debuut is deel van zijn eigen Divina Tragedia, en op de omslag noemt hij het boek zelf , ‘een hedendaags antwoord op William Goldings Lord of the Flies, wat, ‘leest als een prequel op Joseph Conrads Heart of Darkness’. Tijd om eens te praten met deze debutant die zich vrijelijk schaart tussen literaire groten.

Wanneer ik Luuk Imhann vraag hoe hij het vindt om gedebuteerd te zijn zegt hij schamper; ‘Jezus, als je met zo’n vraag begint kan ik alleen maar zeggen dat ik het leuk vind.’ Een ongemakkelijk begin. Maar volgens Imhann is elk interview ongemakkelijk. Niet dat je daar iets van merkt als je met hem praat. Met trefzekere bewoordingen heeft hij voor elke vraag een antwoord waarvan je voelt dat er over is nagedacht.

Grootse bewoordingen
Tijdens je presentatie noemde je Paradijs een deel van je Divina Tragedia.
‘Ja, al moet je altijd een beetje uitkijken als je dat soort grootse bewoordingen gebruikt. We leven in een land waar dat eigenlijk niet wordt gewaardeerd. Je mag niet zeggen, ’ik doe maar wat’, en je mag ook niet zeggen, ‘ik ben van plan echt iets heel moois te maken.’ Ik ben daar niet zo goed in, en ik werk zelf het beste als ik mezelf een groots doel stel. Dan ga ik echt nietsontziend hard aan het werk.’
Niet dat je de verwijzing naar Dante moet zien als een kwaliteitsoordeel. ‘Het is meer een structureel ding. Ik heb niet de illusie dat mijn tragedia daadwerkelijk zijn comedia qua kwaliteit zal evenaren. Maar streef naar het grootste, weet je wel. Mijn volgende twee romans worden Vagevuur en Hel.’

Ambitieuze schrijver
Je wilt 24 boeken schrijven. Je bent vijf jaar bezig geweest met Paradijs.
Lachend; ‘Ja, klopt. Dat had ik ook geroepen. Als ik het allemaal voor het zeggen had, dan zou dat het zijn.’ Dan moet het wel wat sneller gaan. ‘Het gaat ook sneller. Omdat je met zo veel beginnersproblemen worstelt bij je eerste boek. Je hebt gewoon een verhaal wat je wilt vertellen en dat schrijf je op en dan merk je dat er totaal geen structuur in het verhaal zit. Het ritme en tempo zijn chaos. Dat kan mooi zijn als dat het doel is, maar als dat niet zo  is, zie je het er heel erg in terug. Daar moet je toch een handigheid in krijgen.’
Die handigheid heeft hij zeker. Eén van de opvallende punten van Paradijs is de heldere structuur. Het is een bijna klassiek spookverhaal. Een auto rijdt door een storm over een verlaten landweg als opeens de band ploft. Gelukkig is er een vervallen huis in de buurt waar de inzittenden kunnen schuilen. Natuurlijk raken de mensen elkaar één voor één kwijt, en contact met de buitenwereld is onmogelijk. En dat alles met perfecte eenheid van plaats, handeling en tijd.

Acht voorgaande versies
Aan die structuur is hard gewerkt. ‘Het begon als los zand, en dat bleef het , de eerste vier jaar dat ik eraan werkte. Moet ik het verhaal al thuis beginnen, of begint het in het vliegtuig, of begint het als het verhaal nog verder is? Met meer schrijfervaring ga je steeds beter begrijpen wat wel en wat niet werkt. Op de flashbacks na is Paradijs een heel vatbaar ding. Drie dagen. Maar het koste dus wel even om er geen totale chaos van te maken. Er zijn versies geweest waar heel veel in de tijd gesprongen werd. Dat is onleesbaar. Je moet zorgen dat de lezer eerst precies weet waar hij of zij is voor je kan gaan springen. Anders ben je totaal verloren. Dat was met de eerste acht versies het geval.’

Op deze site werd Paradijs aangekondigd met de woorden, ‘klinkt voorwaar als een avonturenroman.’ Naast dat Luuk Imhann heel blij is met het gebruik van het woord ‘voorwaar’ is hij ook te spreken over die typering.
‘Op het moment dat je een boek schrijft over mensen die een jungle in gaan met een vreemde berg en vreemde dieren om daar onderzoek te doen, dan zit je daar wel aan vast. Ik wil dat er wat gebeurt in een boek. Ik lees zelf het liefst boeken van bijvoorbeeld Hemmingway waarin op leeuwen wordt gejaagd, met stieren wordt gevochten en met haaien gestreden. Dat spel van op leven en dood heeft een soort grootsheid die ik zelf graag zie in een boek.’

Niets met literatuur
Op zijn arm staat een quote van Remco Campert getatoeëerd. ‘Ja, dat is natuurlijk ironisch’, erkent hij. Remco Campert is de meester van het alledaagse verhaal. Maar kijk, Campert is de reden dat ik ben gaan schrijven. Op de middelbare school had ik niets met literatuur tot ik Campert las. Hij gebruikt alleen maar woorden die je op je twaalfde al kent maar toch is het literatuur. Het is diep zonder moeilijk te zijn, licht zonder vluchtig te zijn. Op het moment dat je hem leest krijg je het gevoel – zeker als vijftien, zestienjarige – O, dat kan ik ook wel. En dan ga je dat proberen en kom je erachter dat je het helemaal niet kunt, waardoor je alleen maar meer respect voor zijn werk krijgt. Nadat ik Liefdes schijnbewegingen had gelezen, dacht ik, literatuur is wat ik wil doen.

Imhann leest nu De Harpij – een boek van ruim 700 pagina’s – van A. N. Ryst, wat zichzelf ‘een kleine geschiedenis van het Paradijs’ noemt. ‘Ik heb een grote voorliefde voor mensen die dit soort dingen beginnen. Omdat het zo groots is valt er natuurlijk genoeg op aan te merken, maar Ryst gaat ervoor. Het is geen fictieve versie van mijn eigen leven van de afgelopen 25 jaar, nee, het is grootsheid. Liever dat je probeert de tweede Sgt. Pepper te maken en dat je op je bek gaat, dan dat je zegt ‘ik heb een beetje tien liedjes gemaakt en die zet ik maar op een plaat.’ Ik raad iedereen De Harpij aan. Op de achterkant staat dat het een Nederlandse versie van 100 Jaar eenzaamheid is, maar ik denk niet dat ik Ryst beledig wanneer ik zeg dat hij geen Marquez is. Alleen al die keus voor de hele vertelling als een monoloog. Dat is een superheldere keuze waarvan je je af kan vragen of het de beste manier was om dit te vertellen, maar ik ga daar gewoon helemaal in mee. Het is heel anders opgebouwd dan de meeste boeken’.

Shakespeare vertalingen
‘Ik voel me niet zo verbonden met de Nederlandse gewoonte om de plot totaal niet belangrijk te laten zijn en je vooral op het innerlijk van de personages te storten.’ Als hij dat zegt, moet ik lachen, maar ik zal niets verraden. Daarvoor moet Paradijs maar gelezen worden. Iets wat sowieso aan te raden is.

Vorig jaar heeft hij alle stukken van Shakespeare vertaald en bewerkt (‘Eén stuk had niet gekund. Dan was ik daar nu nog mee bezig. Ik heb grote megalomane projecten nodig’) en vier jaar geleden schreef hij een poëziebundel, De onverschilligheid van rozen. ‘Dat is een klein conceptueel werkje. Ik had heel erg het gevoel dat er iets naar buiten moest.’
Toch is deze bundel niet één van de 24 boeken die hij wil schrijven.
‘Ik heb er uiteindelijk een soort performance, een theaterstuk van gemaakt, en zo werkt het eigenlijk het beste. Met toneel en muziek eronder. Toen realiseerde ik me dat sommige teksten veel beter werken zonder papier. Zo ben ik theater gaan maken.’

Poëzie, toneel en nu dan een roman. Maar het is niet de bedoeling om met essays te gaan eindigen. ‘Ik heb een haat/liefde verhouding met non-fictie. Ik lees het weinig omdat het me tegenstaat. En ik maak het weinig om dezelfde reden. Ik zie het als het mindere broertje van fictie.’

Schrijven kun je niet leren
Op het moment is Imhann bezig met – naast het schrijven van zijn tweede roman – de vraag, ‘hoe kom je als theatermaker weg uit het theater’. Dat doet hij aan het Sandberg Instituut, de postdoctorale opleiding van het Rietveld. Daarvoor heeft hij vier jaar op de Schrijversvakschool gezeten. Dat roept natuurlijk de vraag op of Luuk denkt dat je kan leren schrijven.
‘Nee, maar als je al kan schrijven dan kan het je wel helpen heel veel beter te worden. Ik vond het heerlijk om elke week iets in te kunnen leveren waarvan ik dan hoorde hoe het beter kon. Natuurlijk schold ik die persoon wel eerst uit in mijn hoofd, maar thuis dacht ik, ‘oké, hoe kan ik dat nu gaan gebruiken?’. Ik heb vooral heel veel over de structuur geleerd. Ook door  aandachtig te lezen, en te kijken naar toneelvoorstellingen.’

‘Ik wil dat literatuur drie dingen bewerkstelligt. Je leeft mee met de personages op de pagina’s, het leert je iets nieuws over jezelf en het leert je iets nieuws over hoe mensen zijn. Dat teweeg brengen, is wat ik wil. Elke schrijver is een soort van docent. Maar wel de leukere soort van een docent. Het soort waardoor je vergeet uit de trein te stappen, of waardoor je ’s avonds laat in bed vergeet dat je ’s ochtends weer vroeg op moet.’

9200000060486816

 

 

 

 

 

 

 

Uitgeverij Querido
ISBN 9789021401614
€18,99

Foto auteur: Lionne Hietberg

 

Recent

21 maart 2017

Intrigerende zwakheden

20 maart 2017

De zee in Tilburg

Literair Nederland - 10 jaar geleden

26 maart 2007

Zonder dat hij het wist, keek ze hem telkens na als hij voorbijkwam, de winkelierster, langs de zaak, soldaat Brû. Hij liep daar heel ongedwongen, in zijn vrolijke kaki klof, met zijn haar, tenminste wat er onder de kepie van te zien was, zijn haar keurig geknipt en nagenoeg glanzend, zijn handen langs de naad van zijn broek, handen waarvan de ene, de rechter, met onregelmatige tussenpozen omhoogging om een superieur te eren of de groet van een gedemilitariseerde te beantwoorden. Niet bevroedend dat hij elke dag door een bewonderend oog werd vastgepind op de weg die hem van de kazerne naar het bureel voerde stapte soldaat Brû, die in het algemeen nergens aan dacht, maar als hij dat toch deed dan het liefst aan de slag bij Jena, stapte soldaat Brû voort met de onbevangenheid van een niet-bewuste. Met zijn niet bewust grijsblauwe ogen en zijn niet bewust elegant omwikkelde beenkappen droeg soldaat Brû heel naïef al het nodige met zich mee om in de smaak te vallen bij een jongejuffrouw die niet helemaal jong meer was en ook niet helemaal juffrouw. Het ontging hem.

Zonder dat hij het wist, keek ze hem telkens na als hij voorbijkwam, de winkelierster, langs de zaak, soldaat Brû. Hij liep daar heel ongedwongen, in zijn vrolijke kaki klof, met zijn haar, tenminste wat er onder de kepie van te zien was, zijn haar keurig geknipt en nagenoeg glanzend, zijn handen langs de naad van zijn broek, handen waarvan de ene, de rechter, met onregelmatige tussenpozen omhoogging om een superieur te eren of de groet van een gedemilitariseerde te beantwoorden.

Lees meer