15 mei 2017

Dat zal wel

Door Inge Meijer

Wie op reis gaat, raadpleegt de online ‘reisplanner’ om onvolkomenheden tijdens de reis te kunnen vermijden. Maar zo zit ik niet in elkaar – route uitstippelen inclusief oponthoud – dat werkt ontmoedigend. Liever laat ik me verrassen. En om het beetje avontuurlijke dat er nog is te beleven in dit overvloedig georganiseerde land, is het aan te bevelen onvoorbereid op reis te gaan. Onder het motto: alles komt goed (ergens zal het goed komen, hoe dan ook). Laatst moest ik naar Utrecht. Na 25 minuten onderweg te zijn geweest met de sprinter werd de reis op een klein station onderbroken. Ik wist van niks en liet ik me als een schaap, dat van de kudde was afgedwaald, naar de bus voeren.

We dromden met de hele treinbezetting tegelijk tegen de bussen op – waarbij rond de deuropeningen een verheviging van op een kluitje gedrukte reizigers ontstond. Bang als we waren niet mee te mogen. Ik eindigde vrij dicht bij de ingang, vanuit de lengte van de bus opkomend, net in de bocht naar de deuropening toe. Nu dromden er ook reizigers rechts van me tegen de bestaande rij op. Het was  nu zaak standvastig te zijn en niemand te laten invoegen. Naast me drong een vrouwtje met kunstmatige krullen waardoorheen de hoofdhuid schemerde, zich tegen me aan. Ik herkende haar als de vrouw die eerder deze ochtend instapte in het treinstel waar ik zat, toen haar telefoon ging. En dat ze zei: ‘Altijd als ík de trein instap wordt ik gebeld.’ Alsof iemand het erom deed. Iemand die haar van bovenaf in de gaten hield en telkens, wanneer zij haar voet op de trede van een treinstel plaatste om in te stappen, haar belde. Van de jongeman met de tatoeages die achter haar de trein instapte vermoedde ik dat het haar zoon was.

Eenmaal in de bus bleek al dat dringen voor niets. Ik zette mijn tas naast me neer en bladerde de krant open waar ik was gebleven. Achter me namen het vrouwtje en de getatoeëerde jongeman plaats waarbij het vrouwtje direct zeurde: ‘Nou, de volgend keer neem ik gelijk de bus wel.’ De jongeman snoof luidruchtig. Ze morrelden wat met opmerkingen naar elkaar toe, tot het vrouwtje overstapte op een soort van converseren: ‘Ik heb nog een tas van jou gekregen.’ ‘Welke dan,’ reageerde de jongeman alsof hij gebeten werd. ‘Die ene,’ moedigde zij hem aan. ”k Weet nergens van,’ wilde hij zich ervan af maken. Waarop het vrouwtje zei: ‘Als ik thuis ben, zal ik m je laten zien en als je m ziet dan zeg je: Oh die.’  ‘Ja, dat zal wel,’ schimpte de jongeman en snoof opnieuw – ik vermoedde dat het een tik was – luidruchtig. Ik schudde mijn krant nog eens en wist van niks.

 

 

 

Recent

Literair Nederland - 10 jaar geleden

28 mei 2007

´Het eerste bezoek was een klucht. Niet zomaar banaal lachen en dijen kletsen. Nee, het was, hoe meer ik erover nadenk, de verfijnde onderbroekenlol van een oude professor die te midden van kunst en antiek plotseling tegen me zei: ´Laat uw broek maar even zakken.´´

´Het eerste bezoek was een klucht. Niet zomaar banaal lachen en dijen kletsen. Nee, het was, hoe meer ik erover nadenk, de verfijnde onderbroekenlol van een oude professor die te midden van kunst en antiek plotseling tegen me zei: ´Laat uw broek maar even zakken.´´

Wie had ooit gedacht dat deze aanlokkende openingsalinea door ons eigen Peter Brusse werd opgeschreven? Brusse, bij het grote publiek voornamelijk bekend als voormalig buitenlands correspondent voor de Volkskrant en het NOS Journaal in Londen maakt met het vlindernet zijn debuut als romanschrijver.

Lees meer