RSS

Een prachtig eerbetoon

Gepubliceerd op: 25 January, 2010 om 3:53 door:Coen Peppelenbos
Gerelateerde rubrieken:  Fictie en non-fictie, Onder de leeslamp

Een prachtig eerbetoon

‘Bespaar ons die strijdkreet van de schoolfrik, dat afgezaagde “Geen woord te veel”. Een adagium dat je blijkbaar ook nog eens hoort uit te spreken alsof je juist een nachtemmer azijn hebt leeggedronken.’ Tom Lanoye maakt zijn positie in het literaire landschap duidelijk met deze stelling in de vorige jaar uitgekomen autobiografische vertelling Sprakeloos. In een handleiding, daarin moet geen woord teveel staan, vindt hij en hij vervolgt met de programmatische zinnen: ‘Maar als het gaat over letteren die niet in de eerste plaats naar schoonheid haken, maar naar waarachtigheid, zelfs al moeten ze daarvoor uit hun voegen barsten en knarsen en botsen en krijsen? Kom dan om de liefde Gods niet elke keer en bij ieder thema aankakken met dat vervloekte “Minder is meer”, dat bij enkele grootmeesters, ik geef het grif toe, briljante boeken heeft opgeleverd, tijdloze teksten, nederigmakende chefs-d’oeuvre, maar dat daarbuiten voornamelijk wordt misbruikt door onmachtigen en ongetalenteerden om hun gebrekkige greep te verhullen op zowel hun materiaal als hun materieel.’

Opmerkelijke uitspraken, juist in een boek dat de titel Sprakeloos heeft en die verwijst naar de moeder die door enkele beroertes getroffen wordt en een vorm van afasie krijgt waardoor haar spraakvermogen ernstig wordt aangetast. Dit boek zet de auteur tegenover die ziekte. Dit boek dat draait om de moeder Josée Verbeke is een taalbouwsel van protest tegen de dood van de moeder, tegen de stilte. Dit is het boek dat de slagerszoon met een brilletje beloofd had aan zijn zeer liefdevol beschreven vader, maar dat hij pas kon afmaken na diens dood. Dit is een boek waarbij je op elke bladzijde de noodzaak voelt dat het geschreven moest worden. Het is een prachtig eerbetoon geworden aan zijn ouders.

Sprakeloos is opgedeeld in drie delen: ‘Hij’, ‘Zij’ en ‘Ik’. Het eerste deel vormt de aanloop tot het schrijven. Je ziet een schrijver die zich aan het oppeppen is om een grootse prestatie neer te zetten. Lanoye aarzelt en stelt uit, maar weet uiteindelijk precies wat hem voor ogen staat. ‘Want zoals men niet kán vertellen over haar zonder uit te weiden over hem, zo kan ik niet schrijven over hen beiden zonder uit te weiden over de godganse wereld die ik heb leren kennen, en waarover zij regeerde, jarenlang.’ En dat is precies wat er in deel twee, dat verreweg de meeste ruimte inneemt, gebeurt. Lanoye brengt zijn jeugd tot leven, het stadje Sint-Niklaas en dan vooral de buurt waar de ouders van Lanoye een slagerij hadden. Ook de mensen die in de winkel kwamen worden beschreven, evenals de carrière in het amateurtoneel van zijn moeder. Zijpaden worden ingeslagen, omwegen gemaakt, alle verhalen uit het verleden worden van stal gehaald en die voorkomen dat de moeder gereduceerd wordt tot het geestelijke wrak dat ze in haar laatste jaren was.

Tegenover de ontmenselijking in de kliniek, zet Lanoye het dagelijkse leven van weleer waarin de moeder de spil in huis was. Aardige anekdotes worden afgewisseld met minder prettige herinneringen, bijvoorbeeld aan zijn eigen coming-out, die vooral als een schande voor de familie werd ervaren. Maar naast haar branie komt ook haar radeloosheid aan de orde als haar oudste zoon bij een ongeluk om het leven komt.
Als je bij het derde deel aankomt, dat slechts kort het einde beschrijft van de ouders en waarin de schrijver de rekening opmaakt van dit boek, dan kun je als lezer slechts diep buigen voor een schrijver die je in een paar honderd bladzijden een complete wereld heeft geschonken en in al die taalvirtuositeit waarachtig is gebleven.

COEN PEPPELENBOS

TOM LANOYE – Sprakeloos. Prometheus, Amsterdam, 360 blz. €19,95

Gekoppelde sleutelwoorden:

Titel van het boek:  Een prachtig eerbetoon

Auteur van het boek:  

ISBN:  

Dit artikel is geschreven door: Coen Peppelenbos

Coen Peppelenbos (1964): schrijver (Victorie), dichter (Sing Sing), redacteur (Tzum), recensent (Leeuwarder Courant), literatuurdocent (Noordelijke Hogeschool Leeuwarden) en blogger.

Weg van de strijkplank

Gepubliceerd op: 2 January, 2010 om 2:56 door:Coen Peppelenbos
Gerelateerde rubrieken:  Fictie en non-fictie, Onder de leeslamp

Weg van de strijkplank

Met twee andere vrouwen strijkt Rosa wasgoed in een stomerij. Ze is te hoog geschoold voor het baantje, maar de eentonigheid van het werk past goed in de verwerking van de zelfmoord van haar moeder. Haar broer is direct na haar dood naar New York gevlogen en nooit meer teruggekomen. Haar vader is een beetje in de versukkeling geraakt.
De dingen veranderen in de stomerij als Rosa in een overhemd een nogal angstaanjagend briefje vindt van Levi Andreas. Vanaf dat moment is ze erop gebrand om deze Levi te vinden. Een notitieboekje van hem dat ze via een zieke collega in handen krijgt, zet haar verder op het spoor, maar datzelfde boekje is ook de oorzaak van een reeks schokkende gebeurtenissen in de stomerij. Een moord zorgt ervoor dat de stomerij dichtgaat en daarnaast is de dood van haar vader het laatste zetje in de rug van Rosa om zich weer letterlijk in het leven te begeven. Dat doet ze eerst in de voetstappen van Levi Andreas: ze gaat naar zijn vaste hotel in Brussel en vanaf dat moment begint er een wat vreemde correspondentie op gang te komen.
In Levi Andreas, het debuut van David Pefko (1983), is gekozen voor deze nogal ingewikkelde manier om de hoofdpersoon uit haar lethargie te wekken. In het eerste deel lees je alternerend de verhaallijn van Rosa en van Levi, maar naarmate we verder in de roman komen en Rosa Levi dichter op de hielen zit kom je minder en minder van Levi te weten. Alleen zijn brieven aan haar geven nog wat informatie.
Er zitten twee bezwaren aan de brieven. Als Rosa eerst gewoon in de roman vertelt wat ze doet en waar ze naar toe gaat (ze gaat zelfs diep Zuid-Amerika in, naar het einde van de wereld, om Levi te vinden) en daarna nog eens in haar brieven opschrijft wat ze net verteld heeft, dan krijg je overbodige herhalingen in de roman. De roman had met wel honderd bladzijden ingekort kunnen worden en dan was er niets essentieels verloren gegaan.
Daarnaast is het nogal ongeloofwaardig dat de brieven tussen Rosa en Levi telkens aankomen. Al bevinden ze zich zelfs in de meest onbewoonbare gebieden, er komt toch nog een oud vrouwtje aanlopen met de bewuste brief in de hand. Als de TNT maar half zo efficiënt was! Ik heb lange tijd ook gedacht dat die hele Levi Andreas slechts een imaginaire figuur was, bedacht door Rosa om zich een weg naar het leven te banen. Alleen in die constructie wordt de ongeloofwaardigheid opgeheven, omdat je dan te maken zou hebben met een onbetrouwbare verteller. Dat is, denk ik, een foutieve lezing van deze roman (maar romantechnisch zou die lezing heel wat problemen uit de weg ruimen).
Het begin van de roman, dat nog zeer realistisch is, vind ik het sterkst; naarmate het verhaal vordert en het meer over de zin van het leven gaat, de vlucht voor het bestaan en het einde van de wereld, neemt ook een vet romantische toon, die niet mijn voorkeur heeft, de overhand. Ik ben wel benieuwd naar een volgend boek van David Pefko, want ik vraag me af in welke richting hij zich gaat ontwikkelen.

Coen Peppelenbos

DAVID PEFKO – Levi Andreas. Van Oorschot, Amsterdam, 380 blz. €17,50.

Gekoppelde sleutelwoorden:

Titel van het boek:  Weg van de strijkplank

Auteur van het boek:  

ISBN:  

Dit artikel is geschreven door: Coen Peppelenbos

Coen Peppelenbos (1964): schrijver (Victorie), dichter (Sing Sing), redacteur (Tzum), recensent (Leeuwarder Courant), literatuurdocent (Noordelijke Hogeschool Leeuwarden) en blogger.

Hannah van Munster – De trompetboom

Gepubliceerd op: 30 November, 2009 om 5:32 door:Coen Peppelenbos
Gerelateerde rubrieken:  Fictie en non-fictie, Onder de leeslamp

Hannah van Munster – De trompetboom

Papegaai in de boom

Een theaterwet van Tsjechov luidt dat een geweer dat afgaat in een stuk al in het eerste bedrijf getoond moet worden. Als de tienjarige Julius in De trompetboom van Hannah van Munster schietlessen van zijn grootvader krijgt, gelukkig mag hij in eerste instantie alleen maar met pijl en boog schieten, weet je dan ook dat die schietlessen niet zonder gevolg zullen blijven.

Julius is de hele zomervakantie bij zijn grootvader omdat zijn moeder carrière aan het maken is in Amerika. Hij komt terecht bij een vreemde familie: omdat zijn grootmoeder al lang dood is, is zijn grootvader hertrouwd met een wat weerbarstige vrouw, mevrouw E. genoemd. Hun kind Olivia is jonger dan Julius, maar de halfzus van zijn moeder. Om het tableau de la troupe te completeren vinden we in het mooie landhuis bij het water ook nog de stokoude overgrootmoeder Omama. Zij heeft een malle papegaai Gabriël die al vroeg in het verhaal de vrijheid van de trompetboom in de tuin verkiest boven het leven op de veranda.

De trompetboom is het debuut van Hannah van Munster. De evocatie van een jeugd doet wat denken aan het oeuvre van Esther Freud, met dit verschil dat ik de constructie van deze roman niet zo heel goed vind. Er doemen allerlei vragen op in het boek die juist door de structuur teniet gedaan worden. Laat ik drie voorbeelden geven. Het is onbekend wie de vader van Julius is, maar als op bladzijde 60 de stoere man Rudolf wordt voorgesteld aan Olivia, die meteen uitlegt hoe de familie in elkaar steekt, dan begint er bij Rudolf en bij de lezer meteen iets te dagen.
‘Olivia merkte van niets, straalde van trots, knikte weer en zei: “Dat is mijn grote zus” en op mij wijzend: “En zijn mama!” Nu keek Rudolf mij verbijsterd aan. Ik knikte, voor het geval hij het niet zou willen geloven.’ Vervolgens doet Julius er nog tachtig bladzijden over om erachter te komen wat hier al duidelijk is. Als schrijver kun je dan ervoor zorgen dat de spanning oploopt omdat de lezer meer weet dan de hoofdpersoon, maar die spanning creëert Van Munster niet echt.

Voorbeeld twee, Olivia en Julius gaan met Rudolf mee uit zeilen, maar Rudolf zuipt zich een stuk in de kraag waardoor de kinderen op eigen kracht terug moeten varen in slecht weer. Tot een confrontatie met Rudolf komt het dus niet en de confrontatie met het noodweer wordt in ruim twee bladzijden afgedaan. In Zoete mond van Thomas Rosenboom kun je leren dat je van zo’n scène ook iets meer kunt maken. Het wil in De trompetboom niet echt spannend worden, niet op emotioneel vlak en ook niet als de situatie erom vraagt.

Die spanning loopt ook meteen weg bij een andere vraag die in het boek speelt, namelijk de dood van de ‘echte’ grootmoeder van Julius. Op het moment dat hij aan de orde stelt wie zij is en hoe zij dood is gegaan, wordt het antwoord op die vragen direct daaropvolgend gegeven als Julius met Omama een wandeling door de tuin maakt. En weg is de extra spanningsboog.

En zo zit het hele boek in elkaar. Je gaat extra op die verhaallijnen letten omdat de stijl niet echt bijzonder is. Er staan geen rare formuleringen in, ook geen lelijke, maar er is ook geen enkele zin die sprankelt en tintelt en de vertelling in vuur en vlam zet.
En die schietlessen, ja die komen van pas. Je wacht er een heel boek op en op het eind wordt er daadwerkelijk iets geraakt. Dat had deze lezer ook wel gewild: dat hij geraakt werd.

Coen Peppelenbos

Hannah van Munster – De trompetboom. Van Oorschot, Amsterdam, 144 blz. €14,50.

Gekoppelde sleutelwoorden:

Titel van het boek:  Hannah van Munster – De trompetboom

Auteur van het boek:  

ISBN:  

Dit artikel is geschreven door: Coen Peppelenbos

Coen Peppelenbos (1964): schrijver (Victorie), dichter (Sing Sing), redacteur (Tzum), recensent (Leeuwarder Courant), literatuurdocent (Noordelijke Hogeschool Leeuwarden) en blogger.

Rascha Peper – Zwartwaterkoorts

Gepubliceerd op: 17 November, 2009 om 5:10 door:Coen Peppelenbos
Gerelateerde rubrieken:  Fictie en non-fictie, Onder de leeslamp

Rascha Peper – Zwartwaterkoorts

Liegen en bedriegen

Joost Zwagerman nam in zijn verzameling beste korte verhalen uit de Nederlandse literatuur het verhaal ‘Ridders’ op van Rascha Peper. Een goede keuze, want het behoort inderdaad tot het beste uit onze literatuur. Ik zou zo nog een aantal verhalen van Peper kunnen aanwijzen die goed in elkaar steken en die ook in de dikke Zwagerman hadden gemogen.

Het grote publiek kent Rascha Peper voornamelijk van haar grote romans als Rico’s vleugels, Russisch blauw en Vingers van marsepein. Het zou jammer zijn als dat publiek de nieuwe verhalenbundel Zwartwaterkoorts links laat liggen (zoals het grote publiek meestal doet), want opnieuw staan hier weer prachtige verhalen in.

Het meest ontroerende verhaal is verwant aan ‘Ridders’ en gaat over een vrouw die een geheime geliefde heeft. Ze hebben beiden hun eigen partners, maar de vrijdag (ook de titel van het verhaal) is voor hun romance. Als hij na een ziekte komt te overlijden, krijgt ze een uitnodiging om de begrafenis bij te wonen. Daar is ze, als geliefde die door niemand wordt gekend, op een gruwelijke manier alleen. Peper gebruikt geen grote woorden; ze gebruikt ook geen mooie woorden (iemand die alleen stilistische hoogstandjes wil zien, komt bij Peper niet aan zijn trekken), maar ze weet je wel in een paar bladzijden in het leven van haar hoofdpersoon te trekken zodat je elke nuance in de emotie mee beleeft. De pijn als je het gezicht van je geliefde niet meer kunt zien omdat de kist al dicht is, de hardheid om achteraan in de rij te staan bij het gooien van zand in de kuil – zij gooit een tak met sierappeltjes op de berg zand – en de eenzaamheid die met bijna niemand te delen is. Ik begrijp niet hoe het haar lukt, maar je krijgt het er koud van. Ik moest eerst even wat anders doen, voordat ik aan het volgende verhaal kon beginnen.

Een terugkerend motief in deze roman is de leugen. Personages bedriegen (vrouwen oplichten of boeken stelen) en personages worden bedrogen. Het verhaal ‘Het veertje’ wordt verteld door een oude, blinde man. Hij woont nog in zijn bovenwoning, ondanks dat zijn zoon en schoondochter graag willen dat hij zijn spulletjes alvast wegdoet. Regelmatig verdwijnt er ook iets uit het huis dankzij zijn kinderen, wat de oude man natuurlijk toch merkt. Uiteindelijk neemt hij wraak.
Het lezen van de verhalen wordt aantrekkelijker gemaakt omdat de hoofdpersonen in het ene verhaal een bijfiguur kan zijn in het volgende verhaal. Zo grijpen die op zichzelf staande verhalen toch in elkaar.

Misschien werkt die methode bij lezers die nogal weigerachtig staan tegenover verhalen. Tegen die lezers zou je willen zeggen: zet je over je vooroordeel heen en koop deze bundel. Lees elke dag één verhaal en raak onder de indruk van de fenomenale wijze waarop Peper karakters kan neerzetten. Ik kijk alvast uit naar de volgende verhalenbundel.

Coen Peppelenbos

Rascha Peper – Zwartwaterkoorts. Nieuw Amsterdam, Amsterdam, 240 blz. €17,50.

Gekoppelde sleutelwoorden:

Titel van het boek:  Rascha Peper – Zwartwaterkoorts

Auteur van het boek:  

ISBN:  

Dit artikel is geschreven door: Coen Peppelenbos

Coen Peppelenbos (1964): schrijver (Victorie), dichter (Sing Sing), redacteur (Tzum), recensent (Leeuwarder Courant), literatuurdocent (Noordelijke Hogeschool Leeuwarden) en blogger.

Susanne Schädlich – Mijn oom, vriend en verrader. Hoe de Stasi mijn familie ontwrichtte

Gepubliceerd op: 12 November, 2009 om 16:33 door:christine de jong
Gerelateerde rubrieken:  Fictie en non-fictie

Susanne Schädlich – Mijn oom, vriend en verrader. Hoe de Stasi mijn familie ontwrichtte

In de hoos van boeken die verschenen zijn twintig jaar na de val van de Berlijnse Muur kwam bij Cossee deze vertaling uit. Het is het verhaal van de dochter van Oost-Duitse dissidenten die eind jaren zeventig gedwongen werden hun land te verlaten en naar West-Duitsland vertrokken. Na veel omzwervingen viel het gezin uit elkaar: de ouders scheidden, Susanne ging op kamers in West-Berlijn, later Düsseldorf, en vertrok begin jaren tachtig naar de Verenigde Staten. Haar zusje ging bij hun moeder wonen. Toen na de val van de Muur de Stasi-archieven toegankelijk werden kwam de familie er in 1992 achter dat oom Karlheinz, een broer van de vader, jarenlang informatie over het gezin en hun vrienden had doorgespeeld aan de Stasi. De ontdekking dat iemand die zo dichtbij stond hen en mensen uit hun omgeving verraden had was een enorme klap. Het contact met de oom werd verbroken en deze deed nog enkele vage pogingen om zijn gedrag te verklaren, maar van echte excuses kwam het niet. In december 2007 pleegde de oom zelfmoord door zichzelf door de mond te schieten in een Berlijns park. Een jaar later begon de schrijfster de dossiers te lezen en sprak hierover met haar ouders en hun vrienden met dit boek als resultaat.

Susanne Schädlich (1965) is de dochter van de schrijver en vertaler Hans Joachim Schädlich. Haar moeder was redacteur bij verschillende uitgevers en onder de vrienden van haar ouders bevonden zich veel schrijvers en dichters. Regelmatig kwamen zij bijeen om elkaar voor te lezen uit eigen werk. Soms schoven West-Duitse collega’s aan, zoals Günther Grass. Deze bijeenkomsten waren interessant voor de Stasi en aan oom Karlheinz (IM Schäfer) hadden zij een nuttige informatiebron. Al snel nadat het gezin eind 1977 naar Hamburg was vertrokken begonnen de pogingen van Karlheinz om zijn broer over te halen terug te komen. Dit zou beter zijn voor zijn gezondheid – Hans Joachim had last van depressies. Ook hun moeder, Susannes grootmoeder, probeerde haar zoon terug te krijgen en wees diens vrouw aan als een van de oorzaken van zijn problemen. De pogingen mislukten, maar het huwelijk strandde uiteindelijk wel.

Een antwoord op de vraag hoe haar oom tot zijn daden is gekomen krijgt Schädlich niet. De charmante levensgenieter met zijn pijp die een leven als 007 wilde, bij wie ze altijd haar verhaal kon doen toen ze als puber problemen had met haar ouders en die haar later aan een baan probeerde te helpen in Oost-Berlijn, stond op een hoog voetstuk. Zijn val was zo diep dat ze, in tegenstelling tot andere familieleden, na 1992 nooit meer contact met hem heeft willen opnemen.

Het boek heeft niets van de weemoed en nostalgie uit de films Das Leben der Anderen of Goodbye Lenin. Bij Schädlich ligt de nadruk op ontwrichting, wantrouwen, verraad en de verstrekkende gevolgen voor iedereen die daarmee te maken heeft gehad. Haar familie is volledig uit elkaar gevallen en het gevoel nergens thuis te zijn bepaalde jarenlang de keuzes in haar leven. Hoe diep het verleden zit blijkt wanneer ze jaren later terug in Berlijn haar kind ergens afzet en helemaal in paniek raakt als ze merkt dat ze in een buurt is terechtgekomen waar vroeger voornamelijk Stasi-medewerkers woonden.

Zowel in de titel als in de flaptekst ligt de nadruk bij de vertaling meer dan bij de oorspronkelijke Duitse versie op de oom. De Duitse titel luidt Immer wieder Dezember: Der Westen, die STASI, der Onkel und Ich. Mij trof bij het lezen vooral het gevoel van ontworteld zijn en nergens een thuis hebben. Hiernaar verwijst het ‘steeds weer december’ ook, want het was vaak juist in deze maand dat de familie Schädlich weer eens verkaste. En ook de zelfmoord van de oom vond in december plaats. Dit ontheemde gevoel en het verraad is mijns inziens meer waar het boek over gaat dan de oom.

Schädlichs woede en verontwaardiging zijn zo heftig dat stijl en structuur er af en toe onder lijden. Ze springt nogal van de hak op de tak, vaak in korte zinnen zonder werkwoord en verwijst naar omstandigheden die niet altijd uitgelegd worden. Het personen- en zakenregister achterin het boek zijn verder uitgebreid en zeer nuttig.

Mijn oom, vriend en verrader geeft een indringend beeld van een Oost-Duits dissidentengezin en laat zien hoe opgroeien onder een totalitair bewind mensen kan vormen. Toch ziet Schädlich ten slotte ook iets positiefs aan een leven zonder thuis waarin het moeilijk was te hechten aan nieuwe mensen: het heeft haar wel in staat gesteld om makkelijker ergens weg te gaan als dat moest en sneller op een andere plek haar draai te vinden.

Titel van het boek:  Susanne Schädlich – Mijn oom, vriend en verrader. Hoe de Stasi mijn familie ontwrichtte

Auteur van het boek:  

ISBN:  

Dit artikel is geschreven door: christine de jong


Wilhelm Genazino – Een paraplu voor het leven

Gepubliceerd op: 29 October, 2009 om 11:39 door:christine de jong
Gerelateerde rubrieken:  Fictie en non-fictie, Recensies van leden

Wilhelm Genazino – Een paraplu voor het leven

Bij uitgeverij Atlas verscheen onlangs na Liefdeskolder (2008) een tweede roman van de Duitse schrijver Wilhelm Genazino (1943), fraai uitgegeven in klein formaat. Genazino heeft al vele romans op zijn naam staan en schrijft daarnaast ook hoorspelen en toneelteksten. Zijn personages zijn vaak mannen van middelbare leeftijd met een onduidelijk beroep, die een weinig doelgericht leven leiden en daarin moeizame betrekkingen onderhouden met de mensen om hem heen, vrouwen in het bijzonder.

Zo ook in Een paraplu voor het leven. We maken kennis met een veertiger die zijn geld verdient door dure schoenen te testen. Hij loopt een poosje op de schoenen rond en schrijft vervolgens een verslag voor de fabrikant met zijn bevindingen. Het schamele beetje dat hij hiermee verdient is niet voldoende om van te leven en omdat zijn vriendin Lisa twee maanden eerder is vertrokken, dreigt hij in geldnood te komen.

De schoenentester brengt wandelend door de stad zijn dagen door en ziet zichzelf soms als simpele scharrelaar, dan weer als actieve fantast. Op zijn tochten vermijdt hij het contact met anderen zoveel mogelijk. Hij vindt het moeilijk om zich in gezelschap een houding te geven. Desalniettemin wemelt het op straat van de ex-vriendinnen, die de schoenentester steeds probeert te ontlopen want hij is nog te veel met het vertrek van Lisa, zijn laatste vriendin, bezig.

Op straat ziet hij ook Himmelsbach, een oude bekende met wie hij vanwege een akkefietje liever geen contact meer wil hebben. Deze Himmelsbach, een mislukte fotograaf, is voor hem de verpersoonlijking van het falen in het leven. Tijdens een etentje bij een vriendin, Susanne, waarbij Himmelsbach ook aanwezig is, laat hij zich toch overhalen om een goed woordje voor de fotograaf te doen bij een vage kennis bij een krant, die hij uit een grijs verleden kent. Deze Messerschmidt wil echter niets met Himmelsbach te maken hebben, maar biedt wel de schoenentester werk aan. Omdat diens inkomsten uit het schoenentesten tot een kwart zijn teruggebracht, besluit hij hierop in te gaan.

Zijn eerste opdracht is het maken van een ‘luchtig’ verslag van een feestavond. Hier gaat hij naartoe met Susanne en die avond ziet hij hoe een jongen op een balkon met dekens een hut maakt van waaruit hij door een spleet ‘met een wantrouwende, geredde blik, die ook de mijne zou kunnen zijn’ op de feesttent en de mensen beneden neerkijkt. Die jongen is net als hij iemand die vanuit een door hemzelf gebouwd veilig thuis de wereld om zich heen aanschouwt.

De observaties van de schoenentester lopen als rode draad door Een paraplu voor het leven: een vrouw in de rolstoel die een braadworst eet, een man zonder armen met handen aan de schouder, een Japanse die een appel eet, een man die met een schepgang loopt – het is een parade van gewone en ongewone mensen. Ondertussen beklemt hem de angst voor gekte en verbaast hij zich erover ‘dat zo weinig mensen toegeven dat hun normaliteit slechts gespeeld is.’ Hij loopt rond met ongenoegen over het feit dat hij ‘zonder innerlijke toestemming’ leeft, want wil hij wel op de wereld zijn? Die vraag legitimeert voor hem zijn vreemde beroep: ‘Wie zoals ik moet leven zonder voor dat leven toestemming te hebben gegeven, is om escapistische redenen veel op pad en hecht daarom grote waarde aan schoenen.’

Hij vindt houvast bij de herinnering aan het weldadige gevoel bij het lopen door een berg ritselende bladeren en dat brengt hem op het idee om een instituut voor mnemoniek, geheugenkunst, op te richten. De kamer van Lisa heeft hij ingericht als zijn privébladerenkamer, de vloer bedekt onder een laag bladeren. Maar gaandeweg komt hij tot de conclusie dat hij niet langer zijn eigen leven wil begluren en niet wil wachten tot de uiterlijke wereld eindelijk bij zijn innerlijke teksten past: ‘ik vertik het nog langer de blinde passagier van mijn eigen leven te zijn!’ De bladerenkamer kan opgeruimd worden.

Een paraplu voor het leven is het verhaal van een man die zich heeft afgesloten voor het leven en voor anderen. Het is een man die het volhardingsvermogen van kreupelhout wil hebben: ‘Het is er elke dag, het verzet zich door niet te verdwijnen, het klaagt niet, het praat niet, het heeft niets nodig, het is bijna onoverwinnelijk.’ Het zelfgekozen isolement heeft iets Voskuilachtigs, met het verschil dat Maarten Koning zich bleef verzetten tegen een wereld die hem niet aanstond. De schoenentester is passiever en komt tot de conclusie dat hij wel toestemming moet geven aan het leven, want alleen observeren is geen leven.

Titel van het boek:  Wilhelm Genazino – Een paraplu voor het leven

Auteur van het boek:  

ISBN:  

Dit artikel is geschreven door: christine de jong


Hans Warren – Geheim Dagboek 1998-2000

Gepubliceerd op: 25 October, 2009 om 17:33 door:Coen Peppelenbos
Gerelateerde rubrieken:  Fictie en non-fictie, Onder de leeslamp

Hans Warren – Geheim Dagboek 1998-2000

Halfverrotte drollen

Het laatste Geheim Dagboek van Hans Warren is uit. Chronologisch volgt er nog een deel op, maar dat is al eerder uitgegeven, zodat de jaren 1998 tot en met 2000 de laatste jaren zijn die we tot ons kunnen nemen. Als je de balans opmaakt van de hele reeks dan kun je toch met een gerust hart stellen dat de eerste tientallen jaren het interessants waren: de worsteling met zijn homoseksualiteit, het ontluikende dichterschap. Dat waren ook de twee zaken die me het meest interesseerden. En natuurlijk kan ik ook erg genieten van allerlei literair geroddel.
De laatste delen van het Geheim Dagboek zijn echter een crime om door te komen. Jaar in, jaar uit lees je over de autotochtjes met vriend Mario naar dit museum, naar die veiling of naar deze tentoonstelling. Daarna gaan de mannen meestal eten, waarna nog een mededeling komt hoe het eten gevallen is: slecht geslapen, overgeven of ongemak op de wc.
Terwijl hij het liefst in zijn huisje dat propvol kunstschatten staat, zou willen blijven, neemt Mario hem maar steeds weer, tegen zijn wil, op sleeptouw.
Als je de dagboeken leest, dan moet je wel concluderen dat die Mario Molengraaf wel een heel onhebbelijk mens is. Als Warren valt, dan begint hij te tieren, als Warren thuis wil blijven, wil zijn vriend toeren; het dagboek heeft het continu over de ruzies. Meestal staat er vlak daarna wel een opmerking dat hij nog steeds van Mario houdt, maar helemaal van harte lijkt het niet te zijn. Dat maakt het voor Molengraaf weer extra moeilijk om deze passages te redigeren. We lezen steeds hetzelfde en een paar ruzies zouden er wel uit kunnen, maar als de editeur dat zou doen dan zou het lijken of hij zijn eigen straatje aan schoonvegen was. Molengraaf heeft, voor zover ik kan zien, alle nare passages over hem (en zijn ouders) laten staan. Dat valt erg in hem te prijzen.
Het laatste dagboek is nogal ontluisterend. We zien Hans Warren die aan het aftakelen is en dat van zichzelf door heeft. Hij valt kwijlend boven zijn werk in slaap, praat slecht, vergeet dingen, laat scheten en haalt vaak de wc niet op tijd. De wc is een belangrijke kamer voor de oudere Warren. De notities over de stoelgang zijn niet te tellen en niets wordt de lezer bespaard: ‘Nog steeds niet kunnen poepen, hoewel ik erg móet. Ik voel de harde drol in m’n anus met mijn vingertoppen. Maar hoe ik ook knijp, er komen hooguit wat kruimels.’ Gelukkig neemt de dichter twee dagen later maatregelen: ‘Het laxeermiddel werkte blijkbaar, eindelijk kwam er een massa naar buiten, ongelooflijk grote en harde hompen. Het deed pijn, maar wat een opluchting. Opeens, in de oosterse kamer, scheet ik in m’n broek, en niet zo’n klein beetje. De blubber langs m’n been. Eenmaal op de pot volgde een reeks ontploffingen en ontladingen, ook met halfverrotte drollen erin.’
Dat krijg je als je het Geheim Dagboek helemaal leest: niet alleen de hoogtijdagen, ook de neergang met alle onsmakelijke details die erbij horen. Het was een intrigerende reeks, maar ik ben wel blij dat het hele project nu voorbij is.

Coen Peppelenbos

HANS WARREN: Geheim Dagboek 1998-2000. Bert Bakker, Amsterdam, 380 blz.

Gekoppelde sleutelwoorden:

Titel van het boek:  Hans Warren – Geheim Dagboek 1998-2000

Auteur van het boek:  

ISBN:  

Dit artikel is geschreven door: Coen Peppelenbos

Coen Peppelenbos (1964): schrijver (Victorie), dichter (Sing Sing), redacteur (Tzum), recensent (Leeuwarder Courant), literatuurdocent (Noordelijke Hogeschool Leeuwarden) en blogger.

Autobio: J.M. Coetzee – Zomertijd en Günter Grass – De box

Gepubliceerd op: 20 October, 2009 om 23:04 door:Coen Peppelenbos
Gerelateerde rubrieken:  Fictie en non-fictie, Onder de leeslamp

Autobio: J.M. Coetzee – Zomertijd en Günter Grass – De box

Fictieve levens

Is een modern schrijver tegenwoordig nog wel in staat om een autobiografie te schrijven? Of moet je, als auteur in een postmodern tijdperk, je zorgen maken over waarheid en fantasie, de onkenbare werkelijkheid en meer van die dingen. In ieder geval hebben de Nobelprijswinnaars J.M. Coetzee en Günter Grass beiden voor een fictionele autobiografie gekozen.
Bij Coetzee ligt dat een beetje voor de hand omdat hij ook al in Jongensjaren en Portret van een jongeman met een zekere distantie naar zichzelf keek. In het derde deel in de reeks, Zomertijd, schetst Coetzee een beeld van zichzelf aan de hand van een biograaf die na zijn dood enkele vrouwen interviewt, waaronder minnaressen, een familielid en een vrouw die hij graag tot minnares had willen maken en één man, een bevriende collega aan de universiteit.
Het is een slimme zet van Coetzee om zijn leven zo te beschrijven. Het raamwerk geeft hem weer de mogelijkheid tot distantie en tegelijkertijd kan hij met dat gegeven spelen, want de hele wereld kent Coetzee als een gereserveerde man, op zijn hoede om uitspraken te doen, bang zijn gevoelens te tonen. En juist door dat zelf te beschrijven toon je juist ook het tegendeel aan. Zoals de eerste geïnterviewde, Julia, zegt over een nacht die ze met John doorbracht nadat ze haar man met slaande deuren verlaten had. ‘John zag of raadde wat er in me omging en opende voor één keer zijn hart, het hart dat hij gewoonlijk pantserde.’ Maar dat duurt niet lang. ‘Hij zag me – zag me zoals ik op dat moment was – werd bang, gordde haastig het pantser weer om zijn hart, ditmaal met kettingen en een dubbel hangslot, en sloop de duisternis in.’ Harteloze man zou je zo denken, tot je beseft dat hij dit zelf geschreven heeft. Coetzee speelt rechter in zijn boek over zijn eigen leven, de aanklagers lijken de mensen te zijn die hem gekend hebben. Het oordeel over hem is erg hard en juist daardoor krijg je wel mededogen met die rigide schrijver die zo moeilijk in contacten is. Ik vermoed dat het doel van Coetzee niet was om zichzelf in een gunstig daglicht te stellen, integendeel zelfs, maar het continu hameren op zijn mindere eigenschappen zoals die aangedragen worden door de mensen die de biograaf interviewt plaatsen de schrijver in de rol van de ‘underdog’. En de underdog wekt toch altijd sympathie.

Günter Grass doet het in De box iets anders. Hij laat in verschillende sessies zijn kinderen (die allemaal een andere naam krijgen) praten over het verleden. Centrale figuur is de oude fotografe Marie die tijdens haar leven met haar Agfabox vele momenten van de familieleden heeft vastgelegd. En in de donkere kamer kon zij ook het verleden en de toekomst en de wensdromen van de kinderen in de foto’s toveren. De kinderen komen uit de verschillende verhoudingen die Grass tijdens zijn leven heeft onderhouden en het is vooral dat onstuimige familiale leven, dat zich afspeelde in de buurt van de beroemde vader die de hele tijd met zijn werk bezig was, dat we leren kennen. Al die gesprekken zijn natuurlijk fictie en dat wordt af en toe ook expliciet gemaakt: ‘Misschien zijn ook wij, zoals we hier zitten en praten, alleen maar verzonnen – toch?’
De gesprekken leveren een amusante, maar geen grootse Grass op. Vaak is onduidelijk wie precies aan het woord is. Ergerlijk is de vertaling, omdat je je constant bewust bent dat je een vertaling aan het lezen bent, met vreemde zinsconstructies en hinderlijke germanismen. Wat te denken van ‘omdat ik me zo puberteitsmatig gedroeg’, ‘en zich vaak extreem harmoniebehoeftig gedragen schijnt te hebben’ en ‘de zweetdrijvende details’. De fout ‘iets dat’ komt een paar keer terug (maar die fout komt tegenwoordig veelvuldig voor in romans). Bij de zin ‘(…) maar alleen maar omdat Lena en Paulchen moesten huilen en ik toch al heel gauw ga soppen…’ is het woord soppen niet zo goed gekozen, omdat de eerste betekenis van dat woord nu totaal anders is. Nog één rare zin dan: ‘Buiten miezert het en bekrachtigt een zomer die iedereen als tamelijk tot totaal verregend beklaagt.’ Wat?
In vergelijking met Coetzee is Grass, via de verhalen van zijn kinderen, uiterst mild over zichzelf. Je hebt het idee dat zijn kinderen in werkelijkheid een harder oordeel zullen hebben over hun vader, terwijl je bij Coetzee verwacht dat zijn minnaressen en vrienden een heel wat positiever oordeel over hem zullen hebben. Dat krijg je er nou van als je van je leven fictie maakt.

Coen Peppelenbos

J.M. Coetzee: Zomertijd. Vertaald door Peter Bergsma. Cossee, Amsterdam, 300 blz. €22,90.
Günter Grass: De box. Vertaald door Jan Gielkens, Meulenhoff, Amsterdam, 200 blz. €21,50.
verschijnt ook op Literair Nederland.

Gekoppelde sleutelwoorden: ,

Titel van het boek:  Autobio: J.M. Coetzee – Zomertijd en Günter Grass – De box

Auteur van het boek:  

ISBN:  

Dit artikel is geschreven door: Coen Peppelenbos

Coen Peppelenbos (1964): schrijver (Victorie), dichter (Sing Sing), redacteur (Tzum), recensent (Leeuwarder Courant), literatuurdocent (Noordelijke Hogeschool Leeuwarden) en blogger.

Ilja Leonard Pfeijffer & Gelya Bogatishcheva – De filosofie van de heuvel

Gepubliceerd op: 26 September, 2009 om 22:45 door:Coen Peppelenbos
Gerelateerde rubrieken:  Fictie en non-fictie, Onder de leeslamp

Ilja Leonard Pfeijffer & Gelya Bogatishcheva – De filosofie van de heuvel

Met een oude Batavus over de bergen

Een van de merkwaardigste reisboeken die ik ken, is geschreven door Julio Cortázar en zijn vrouw, de fotografe Carol Dunlop: De autonauten van de kosmosnelweg. De twee leggen de afstand Parijs-Marseille af met een Volkswagenbusje. Ze hebben alleen besloten om op elke parkeerplaats langs de weg te overnachten. Ze doen er drieëndertig dagen over en beschrijven elke parkeerplaats alsof ze expeditieleden zijn die het nieuwe land en de daarbij behorende gebruiken in kaart moeten brengen. Een vreemd, blijmoedig boek met een wrange nasmaak omdat Dunlop overleed aan een ernstige ziekte (het zal wel weer kanker zijn) bij de daadwerkelijke afronding van het boek.
Godzijdank is er geen sprake van ziekte bij de afronding van De filosofie van de heuvel van Ilja Leonard Pfeijffer en fotografe Gelya Bogatishcheva, maar het lezen van dat boek is net zo avontuurlijk en opwindend. Pfeijffer en zijn Russische vriendin Gelya (die hij geen vriendin mag noemen) besluiten namelijk opeens zonder voorbereiding naar Rome te fietsen. Het idee komt van de wispelturige Gelya en Pfeijffer laat zich meeslepen door haar enthousiasme. En zo vertrekken ze licht bepakt uit Leiden om eenenveertig dagen later in Rome aan te komen. Gelya heeft een sportief leven geleid en rijdt op een gele mountainbike, de ietwat gezette dichter denkt de tocht te kunnen maken op een oude Batavus racefiets.
De lichtelijk krankzinnige tocht door afgelegen streken, over heuvels en bergen, met hevige regenbuien en bloedhete zomerdagen, met stukken over de snelweg en met aanvallen van wilde zwijnen wordt door Pfeijffer met milde ironie beschreven. De dichter probeert bij elke fysieke uitdaging filosofieën te bedenken om de prestatie maar te kunnen vervolmaken. Ook psychisch is het een uitputtingslag en hij kan zich maar het beste vasthouden aan het adagium van Gelya ‘prosta tak’: alles wat belang is gebeurt gewoon zo. Een ‘flodderfilosofie’ noemt hij het nog op de eerste bladzijde van de reisbeschrijving, maar later blijkt dat die filosofie meer waard is dan elke filosofie van hemzelf.
Wat me aangenaam verraste was de nieuwe toon die uit dit boek sprak. Wie eerdere romans van Pfeijffer gelezen heeft, weet dat de schrijver houdt van bizarre taalcontructies en prachtige formuleringen, maar zichzelf niet blootgeeft. In dit boek is dat anders: de dichter toont zich naakt en beschrijft met ironie, maar oprecht zijn gevoelens. Woede, wanhoop, tederheid, verliefdheid en geluk, zonder in clichés te vervallen. Alle maskers zijn afgelegd, de nadruk ligt niet meer louter op de taal en dat maakt De filosofie van de heuvel tot een heerlijke leeservaring.
Als Cortázar en Dunlop Marseille bereiken dan maakt zich een lichte beklemming van hen meester: ‘Een zege die werd bewolkt door tranen die wij droogden in een café’. Ook Pfeijffer houdt het niet droog als hij achter Gelya Rome binnenrijdt en de schrijvers trekken dezelfde conclusie over het doel van de reis, dat van veel minder belang is dan de reis zelf. ‘De reis op de fiets naar Rome is achteraf een reis gebleken naar een nieuw leven,’ zegt Pfeijffer en als je het boek uit hebt weet je dat de dichter niet terug kan naar zijn gewone leventje in Leiden. Ik zou mezelf en anderen een Gelya willen toewensen.

Coen Peppelenbos

Ilja Leonard Pfeijffer (tekst) & Gelya Bogatishcheva (foto’s) – De filosofie van de heuvel. De Arbeiderspers, Amsterdam, 208 blz. €18,95.

Gekoppelde sleutelwoorden:

Titel van het boek:  Ilja Leonard Pfeijffer & Gelya Bogatishcheva – De filosofie van de heuvel

Auteur van het boek:  

ISBN:  

Dit artikel is geschreven door: Coen Peppelenbos

Coen Peppelenbos (1964): schrijver (Victorie), dichter (Sing Sing), redacteur (Tzum), recensent (Leeuwarder Courant), literatuurdocent (Noordelijke Hogeschool Leeuwarden) en blogger.

Bijlezen: Els Beerten – Allemaal willen we de hemel

Gepubliceerd op: 12 September, 2009 om 5:18 door:Coen Peppelenbos
Gerelateerde rubrieken:  Fictie en non-fictie, Onder de leeslamp

Bijlezen: Els Beerten – Allemaal willen we de hemel

Held tegen wil en dank

Uit protest tegen de redelijk geruisloze verdwijning van een belangrijke prijs voor jeugdliteratuur: de Gouden en Zilveren Zoenen (die in leeftijdscategorie volgden op de Gouden en Zilveren Griffels) besloten Hans Hagen en Ted van Lieshout om een alternatieve prijs in te stellen: de Gouden Lijst. Op 12 september wordt deze prijs uitgereikt. Een van de genomineerde boeken is Allemaal willen we de hemel van Els Beerten.

Laat ik maar meteen verklappen dat dit een geweldig jeugdboek is. Voor de wat oudere jeugd (vanaf 15) schetst Beerten het verhaal van een held tegen wil en dank. Allemaal willen we de hemel speelt zich af op het Vlaamse platteland in de Tweede Wereldoorlog. Eén zeer muzikale familie wordt in het bijzonder gevolgd met Jef als hoofdpersoon. Daarnaast volg je zijn vriend Ward. Beiden worden op school geronseld door pastoor en leraar om te gaan helpen aan het Oostfront. Ward gaat om het Vlaamse volk te verdedigen tegen het communisme, Jef wordt door zijn familie tegengehouden en kan dus geen held worden, net als zijn vriend. Maar hij wordt wel op een andere manier een held, juist als Ward met verlof terug is. Hoe het precies zit (en eigenlijk ook weer niet) wordt pas gaandeweg het boek duidelijk.

Het knappe van Allemaal willen we de hemel zit hem echter niet in het avontuurlijke dat ook bij de oorlog hoort. Daar zijn de beschrijvingen van Ward aan het front te heftig en te realistisch voor beschreven. Dit boek is ook goed vanwege de psychologische diepgang. Niet alleen van Ward en Jef, maar ook omdat je naar de gebeurtenissen kijkt via de ogen van het jongere broertje Remi en via het zusje dat verliefd is op Ward, Renée. Beerten werpt je steeds een stukje van het verhaal toe via een ander personage en die personages hebben allemaal een authentiek geluid. Daarmee wordt dit niet een roman over de oorlog waar goed tegenover fout staat. Je komt personen tegen die hun eigen afwegingen hebben, soms raar, soms fout, maar altijd invoelbaar.

Beerten is ook goed in het weglaten. Zo zouden wij Jef direct aanduiden als een homoseksueel, maar dat woord valt in het hele boek niet, noch wordt homoseksualiteit geproblematiseerd of gethematiseerd. De ene lezer zal doorhebben waarom Jef handelt zoals hij doet, de ander niet.

Er zijn drie boeken genomineerd voor De Gouden Lijst. Voor jou 10 anderen van Mirjam Oldenhave en Cynthia van Eck uit de Slashreeks is een verdienstelijke roman, maar stilistisch niet zo sterk. De gelukvinder van Edward van de Vendel en Anoush Elman uit de Slashreeks (waarvan Van de Vendel ook de bedenker is) is een goede roman, op de huid van de tijd geschreven. Het boek echter dat behoort tot de meesterwerken van de jeugdliteratuur is Allemaal willen we de hemel. Vijfhonderd bladzijden die lezen als een trein, met een lekkere kortaffe stijl waarin geen woord teveel wordt gezegd; een boek dat al je emoties bespeelt en je bovendien als literaire lezer uitdaagt. Wat mij betreft kan de eerste Gouden Lijst naar niemand anders gaan dan naar Els Beerten.

Coen Peppelenbos

ELS BEERTEN – Allemaal willen we de hemel. Querido, Amsterdam, 500 blz. €17,95.

Gekoppelde sleutelwoorden:

Titel van het boek:  Bijlezen: Els Beerten – Allemaal willen we de hemel

Auteur van het boek:  

ISBN:  

Dit artikel is geschreven door: Coen Peppelenbos

Coen Peppelenbos (1964): schrijver (Victorie), dichter (Sing Sing), redacteur (Tzum), recensent (Leeuwarder Courant), literatuurdocent (Noordelijke Hogeschool Leeuwarden) en blogger.

Bijlezen Edward van de Vendel / Anoush Elman – De gelukvinder

Gepubliceerd op: 20 August, 2009 om 23:53 door:Coen Peppelenbos
Gerelateerde rubrieken:  Fictie en non-fictie, Onder de leeslamp

Bijlezen Edward van de Vendel / Anoush Elman – De gelukvinder

Meer dan asielproblematiek

Uit protest tegen de redelijk geruisloze verdwijning van een belangrijke prijs voor jeugdliteratuur: de Gouden en Zilveren Zoenen (die in leeftijdscategorie volgden op de Gouden en Zilveren Griffels) besloten Hans Hagen en Ted van Lieshout om een alternatieve prijs in te stellen: de Gouden Lijst. Op 12 september wordt deze prijs uitgereikt. Een van de genomineerde boeken is De gelukvinder (2008) van Edward van de Vendel en Anoush Elman uit de Slashreeks.
In die reeks is een echte schrijver gekoppeld aan een jongere die een belangrijk of interessant verhaal te vertellen heeft. De gelukvinder gaat over Hamayun die met zijn familie uit Afghanistan vlucht naar Nederland en hier in de asielzoekerprocedures terecht komt.

Ik weet weinig af van Afghanistan. Ik ken tv-beelden en krantenberichten, ik heb oppervlakkig met twee soldaten gesproken die daar hebben gezeten en ik heb natuurlijk de internationale bestseller De vliegeraar gelezen, geschreven door Khaled Hosseini. Dat laatste boek vond ik verschrikkelijk vooral vanwege het te nadrukkelijke Hollywoodeind, en de Rambo-achtige scènes waarbij de hoofdpersoon het in zijn eentje opneemt tegen een groot aantal Talibanstrijders. Ongeloofwaardig tot en met.

De Slash-boeken moeten het juist van hun geloofwaardigheid hebben, omdat daarin verhalen verteld worden die echt gebeurd zijn. Het verhaal van Hamayun en zijn familie is zo’n verhaal dat de werkelijkheid van tv en kranten een gezicht geeft. In het boek wordt gerefereerd aan de filmportretten ‘26.000 gezichten’ waarin ook telkens een verhaal van een paar mensen de algemene asielproblematiek vermenselijkt. In De gelukvinder gebeurt hetzelfde. Ik was een beetje bang dat de roman een te voorspelbaar verloop zou krijgen, want de verhaallijn ligt voor de hand: angst voor de Taliban, vader wordt gevangen gezet wegens te vrije ideeën, vader komt vrij, gezin vlucht, gezin zwerft door allerlei landen en komt in allerlei handen, gezin komt tenslotte in Nederland in een eeuwigdurende procedure terecht. Dan moet je een knappe jongen zijn om daar nog wat boeiends van te maken. Een knappe jongen is Edward van de Vendel, want hij geeft niet alleen een politieke laag weer in De gelukvinder, maar ook een sterke psychologische lijn, waarin je de opgroeiende Hamayun volgt van een ietwat naïeve jongen in Afghanistan tot een zelfbewuste adolescent in Nederland. Er wordt verteld over sterke jeugdvriendschappen en over ontluikende liefde. Er wordt geschreven over de heimelijke liefde voor Bollywoodfilms in Afghanistan. Er wordt verteld over het stille verdriet van de moeder die haar familie moest achterlaten; over de vrijheid om te zeggen wat je wilt; over de angst dat je terugmoet. De personages komen tot leven.
Godzijdank hebben Van de Vendel en Elman er niet voor gekozen om te eindigen met een happy ending. Die staat er wel in, maar er staat ook een alternatief eind in. De lezer moet wel alert blijven. Je wordt door de schrijvers nog even met de neus op de feiten gedrukt dat we hier niet te maken hebben met een mooi afgerond verhaal; het verhaal kan elke dag een wending krijgen.
Vergeleken met De vliegeraar is dit boek aan alle kanten geloofwaardig en je hoopt dat mensen De gelukvinder gaan lezen in plaats van het stoere jongensproza van Hosseini. Querido heeft inmiddels ook een editie voor volwassenen op de markt gezet. Zeer terecht heeft het een nominatie gekregen voor de Gouden Lijst.

Coen Peppelenbos

Edward van de Vendel / Anoush Elman – De gelukvinder. Querido, Amsterdam, €14,95.

Gekoppelde sleutelwoorden: ,

Titel van het boek:  Bijlezen Edward van de Vendel / Anoush Elman – De gelukvinder

Auteur van het boek:  

ISBN:  

Dit artikel is geschreven door: Coen Peppelenbos

Coen Peppelenbos (1964): schrijver (Victorie), dichter (Sing Sing), redacteur (Tzum), recensent (Leeuwarder Courant), literatuurdocent (Noordelijke Hogeschool Leeuwarden) en blogger.

Bijlezen: Mirjam Oldenhave en Cynthia van Eck – Voor jou 10 anderen

Gepubliceerd op: 17 August, 2009 om 19:22 door:Coen Peppelenbos
Gerelateerde rubrieken:  Fictie en non-fictie, Onder de leeslamp

Bijlezen: Mirjam Oldenhave en Cynthia van Eck – Voor jou 10 anderen

Een veilige gevangenis

Uit protest tegen de redelijk geruisloze verdwijning van een belangrijke prijs voor jeugdliteratuur: de Gouden en Zilveren Zoenen (die in leeftijdscategorie volgden op de Gouden en Zilveren Griffels) besloten Hans Hagen en Ted van Lieshout om – voorlopig eenmalig – een alternatieve prijs in te stellen: de Gouden Lijst. Op 12 september wordt deze prijs uitgereikt. Een van de genomineerde boeken is Voor jou 10 anderen (uit 2008) van Mirjam Oldenhave en Cynthia van Eck uit de Slashreeks.
In die reeks is een echte schrijver gekoppeld aan een jongere die een belangrijk of interessant verhaal te vertellen heeft. Als je boeken zoekt die dicht op de huid van de tijd geschreven zijn, dan kun je ze in die reeks vinden.

In Voor jou 10 anderen wordt het verhaal verteld van Cynthia die als baby gedropt wordt in een illegaal opvanggezin. Een wat slonzige niet al te intelligent vrouw, mama Riet en haar sadistische dochter Mia nemen continu kinderen op in huis. De vrouw krijgt ervoor betaald door de moeders die de kinderen afstaan. Waar je een beetje bang voor bent, en zo begint het boek ook, is een variant op de het harde pleegoudergezin waarin de aangenomen kinderen getreiterd worden. Gelukkig zit het boek iets complexer in elkaar omdat de hoofdpersoon, omdat ze niet beter weet, toch houdt van haar niet echte moeder. Het huis waarin ze binnen moet blijven zonder naar school te gaan is een gevangenis en tegelijk een veilige plek.
Toch komt er aan de situatie van Cynthia een eind door een van de talrijke instanties die Nederland rijk is. Ze komt in tehuizen terecht en moet leren een eigen leven te leiden. Maar hoe doe je dat als je de gevoelens en drijfveren van andere mensen niet kunt doorgronden, laat staan die van jezelf?
Ik denk dat Voor jou 10 anderen veel jongeren zal aanspreken. Het is vlot geschreven en dendert naar een goed einde toe. Misschien is het boek wel iets te vlotjes en glad geschreven. De dialoogzinnen stammen direct uit de lectuurhoek waar aan elke uitspraak een emotie gehangen wordt. Er wordt heel vaak ‘zachtjes’ iets gezegd of ‘gemompeld’, en op bijna elke bladzijde vind je wel zinsneden als ‘riep hij woedend’ of ‘zei ik verbaasd’. Aan de verbeelding wordt niets over gelaten. Misschien mag je dat wel verwachten bij een prijs voor het beste jeugdboek.

Coen Peppelenbos

MIRJAM OLDENHAVE en CYNTHIA VAN ECK – Voor jou 10 anderen. Querido, Amsterdam, 126 blz. €11,95.

Gekoppelde sleutelwoorden: ,

Titel van het boek:  Bijlezen: Mirjam Oldenhave en Cynthia van Eck – Voor jou 10 anderen

Auteur van het boek:  

ISBN:  

Dit artikel is geschreven door: Coen Peppelenbos

Coen Peppelenbos (1964): schrijver (Victorie), dichter (Sing Sing), redacteur (Tzum), recensent (Leeuwarder Courant), literatuurdocent (Noordelijke Hogeschool Leeuwarden) en blogger.

Bijlezen: Elvis Peeters – Wij

Gepubliceerd op: 29 July, 2009 om 11:04 door:Coen Peppelenbos
Gerelateerde rubrieken:  Fictie en non-fictie, Onder de leeslamp

Bijlezen: Elvis Peeters – Wij

Louter effectbejag

De zomervakantie is bij uitstek geschikt om boeken die het afgelopen half jaar verschenen zijn, maar die op een stapeltje bleven liggen, alsnog te lezen. Wij van Elvis Peeters verscheen in maart en deed wat stof opwaaien.

Het rumoer rond een boek zet je soms aan tot het lezen ervan. Zo was het gewelddadige karakter van de roman Wij door de uitgever enigszins aangezet in de media. De schrijver Elvis Peeters en zijn vrouw Nicole Van Bael haalden er zelfs De Wereld Draait Door mee, maar dat was niet echt een geslaagd optreden te noemen.
Wij gaat over een groep jongens en meisjes, pubers, die van verveling niet weet wat ze moet doen. Zo vinden ze het leuk om verkeersongelukken te veroorzaken (direct aan het begin van de roman) en later om van alles in hun geslachtsorganen te laten stoppen. Dat loopt wel een keer uit op een onsmakelijke scène met een wesp. Bij weer een andere scène wordt er zelfs een meisje gedood als er wat onhandig een stuk ijs naar binnen geschoven wordt. Later verwordt de groep tot een aantal jongens die de meisjes laten hoereren.
Het nadeel van dit boek is dat het de lezer allemaal geen moer kan interesseren. Dat ligt aan twee romantechnische fouten. Ten eerste wordt het verhaal verteld vanuit een ietwat onduidelijk wij-vertelstandpunt, waar maar af en toe wordt overgeschakeld naar een ikfiguur. Dat heeft tot gevolg dat je je met niemand in het boek daadwerkelijk kunt identificeren. Het blijft een wat amorfe groep. Ten tweede hebben de schrijvers de ergste zaken voorin het boek gezet. Naarmate het boek vordert, kom je steeds meer terecht in het genre loverboy-jeugdromans waar de markt de laatste jaren mee wordt overspoeld.
Die amorfe, verveelde groep jongens en meisjes wil maar niet tot leven komen. Er zit gelukkig één intellectuele jongen bij die de hele tijd boeken leest van filosofen, maar behalve dat er hier en daar een naam gedropt wordt van een schrijver, gebeurt er weinig mee.
Het ergst van alles is dat je in vele stukken tekst niet de stem van een jongen of meisje hoort, maar de stem van een ouder schrijversechtpaar dat denkt te weten hoe jongeren denken. Neem nou eens de volgende passage:
‘Natuurlijk speelden wij vaak op computers, we hadden draagbare gamecomputers, we hadden onze telefoons, voor de geringste boodschap verstuurden wij berichten, de wereld was nooit ver weg, te allen tijde kon je een anker uitwerpen, aan de zijlijn gaan staan. We hadden ieder onze iPod, soms luisterden we urenlang naar muziek, ieder naar zijn eigen nummers, terwijl mijn hand op de borst van Femke lag en de hand van Femke op mijn pik. Want het werkelijke echte leven was toch het lichaam van de ander, dat hadden we allang door.’
Hier is denk ik de filosoof aan het woord. Aan wie legt hij eigenlijk uit dat er gamecomputers zijn die ook nog draagbaar zijn? Dat ze voor de geringste boodschappen berichten verstuurden? Zo denken oude mensen over pubers. Het valt nog mee dat er bij die telefoons niet staat dat ze ook draagbaar waren. Mobieltjes zeg maar, zonder snoer.
Misschien worden sommige lezers wat misselijk van bepaalde scènes in dit boek, ik had dat ook, zo’n smerige smaak in je mond omdat je zag dat hier niet de psychologie van een generatie wordt ontrafeld of een realistisch beeld gegeven van de huidige jeugd, maar dat dit louter een boek is dat op effectbejag uit is.

Coen Peppelenbos

Elvis Peeters: Wij. Podium, Amsterdam, 171 blz. €16,50

Gekoppelde sleutelwoorden:

Titel van het boek:  Bijlezen: Elvis Peeters – Wij

Auteur van het boek:  

ISBN:  

Dit artikel is geschreven door: Coen Peppelenbos

Coen Peppelenbos (1964): schrijver (Victorie), dichter (Sing Sing), redacteur (Tzum), recensent (Leeuwarder Courant), literatuurdocent (Noordelijke Hogeschool Leeuwarden) en blogger.

Bijlezen Vonne van der Meer: Zondagavond

Gepubliceerd op: 27 July, 2009 om 11:05 door:Coen Peppelenbos
Gerelateerde rubrieken:  Fictie en non-fictie, Onder de leeslamp

Bijlezen Vonne van der Meer: Zondagavond

Als je biecht, mag je naar de hemel

De zomervakantie is bij uitstek geschikt om boeken die het afgelopen half jaar verschenen zijn, maar die op een stapeltje bleven liggen, alsnog te lezen. Zondagavond van Vonne van der Meer verscheen in januari en kende al diverse herdrukken.

Het begin van de korte roman Zondagavond is tekenend voor het hele boek. Freeke heeft net haar zoon helpen verhuizen en eigenlijk wil ze het afscheid zo lang mogelijk uitstellen door hem te blijven helpen. Haar zoon ziet haar echter liever gaan. In de auto op weg naar huis krijgt ze een telefoontje van haar minnaar Gamal die net als zij in het brandwondencentrum werkt en met haar die avond wil afspreken. Ze besluit erop in te gaan ondanks dat ze op zondagavond altijd met haar vader samen eet en de avond doorbrengt. In deze roman van Vonne van der Meer gaat het over geheimen.
Freeke houdt haar date geheim en dat frustreert haar vader die net besloten had om die avond haar zijn grote geheim te vertellen over de oorlog. De rol die hij destijds speelde, bleek lang niet zo heldhaftig te zijn geweest als altijd werd aangenomen. Omdat haar dochter te gehaast is, lukt het niet om het geheim te vertellen. Even later lukt dat wel als hij de ware toedracht vertelt aan Mila, de vrouw die hij als baby redde in de Tweede Wereldoorlog. Het ware verhaal, niet het heldhaftige. Kort daarna overlijdt hij.
Wat mij voor het eerst stoorde, is de expliciete religiositeit die de kop opduikt. In eerdere romans, zoals Ik verbind u door en Take 7 en ook wel enkele eilandverhalen is er de mogelijkheid om die verhalen op een normaal verhaalniveau te lezen en ook nog, voor de liefhebber, op een religieus niveau. Nu wordt die religiositeit, het katholicisme, wel heel vet aangezet. Zo heeft vader net een kunstboek bij De Slegte gekocht en die ligt opengeslagen bij een reproductie van ‘Een opgebaarde vrouw – Maria, volgens het onderschrift –, daarnaast stond haar zoon. In zijn uitgestrekte handen, die een rechte, ongebroken lijn vormden naar haar borst, lag een naakt kindje. De handen van Christus en de huis van het kindje hadden dezelfde kleur. Zonder het onderschrift had hij het symbool – de ziel als baby – niet begrepen, maar de ontroering was er al voor hij de uitleg las.’ Maar dat is niet alles. Vader voelt de enorme behoefte om te biechten en als hij dat, tegenover Mila, doet en daarna in coma raakt, komt er nog een priester langs die het Laatste sacrament toedient. De geest van vader is nog aanwezig, maar na twaalf bladzijden waarin dit ritueel uitvoerig wordt beschreven, verdwijnt ook die. Twaalf bladzijden is redelijk veel op een totaal van 167.
De vraag is dan ook wat Van der Meer bij dit boek belangrijker achtte: het verhaal of de boodschap. Bij mij raakte het achterliggende verhaal (wat is er werkelijk gebeurd in de oorlog en waarom zwijgt iemand daar zo lang over) bedolven onder de katholieke boodschap. Die komt voor het verhaal te staan en als liefhebber van het oeuvre van Van der Meer betreur ik dat.

Coen Peppelenbos

VONNE VAN DER MEER: Zondagavond. Contact, Amsterdam, 167 blz. €16,95.

Gekoppelde sleutelwoorden:

Titel van het boek:  Bijlezen Vonne van der Meer: Zondagavond

Auteur van het boek:  

ISBN:  

Dit artikel is geschreven door: Coen Peppelenbos

Coen Peppelenbos (1964): schrijver (Victorie), dichter (Sing Sing), redacteur (Tzum), recensent (Leeuwarder Courant), literatuurdocent (Noordelijke Hogeschool Leeuwarden) en blogger.

Recensie Willem Frederik Hermans, Rudy Kousbroek en Ethel Portnoy – Machines en emoties

Gepubliceerd op: 5 July, 2009 om 4:51 door:Coen Peppelenbos
Gerelateerde rubrieken:  Fictie en non-fictie, Onder de leeslamp

Recensie Willem Frederik Hermans, Rudy Kousbroek en Ethel Portnoy – Machines en emoties

Intellectuele vrienden met dezelfde passies

Vorig jaar verscheen de briefwisseling Verscheur deze brief! Ik vertel veel te veel tussen Willem Frederik Hermans en Gerard Reve. Een briefwisseling waar reikhalzend naar uitgekeken werd omdat het twee van de grootste naoorlogse schrijvers elkaar troffen. Het boek viel een beetje tegen omdat na een aanvankelijk vriendschappelijk begin Hermans niets meer van Reve moest hebben toen hij zich bekeerde tot de rooms-katholieke kerk en zich van schandaal naar schandaal sleepte. Ondanks enkele pogingen van Reve om briefwisseling op gang te houden bleef Hermans afhoudend en afwijzend.
machines en emoties
In Machines en emoties is er sprake van een totaal andere Hermans omdat hij in Rudy Kousbroek, die dan met zijn vrouw Ethel Portnoy in Parijs woont, een geestverwant ontdekt. Beiden hebben een voorkeur voor auto’s en typemachines, kennen het werk van Céline en Wittgenstein. Al snel zijn de mannen bevriend. Ze telefoneren ook met elkaar, ze gaan bij elkaar logeren, ze bezoeken samen tentoonstellingen en ze laten ook hun kinderen bij elkaar logeren. Tussen de brieven over technische en filosofische zaken en de plannenmakerij om samen een boek te schrijven (dat er nooit is gekomen), staan met onderkoelde humor geschreven brieven van Ethel Portnoy. Zo vertelt ze met enige afschuw over haar verblijf in het ziekenhuis na haar bevalling en de problemen die ze heeft met borstvoeding. ‘The result was a weirdly arche-typical scene this morning, when he started to cough + choke and I stopped him + looked and then said “Vampire, son of vampire!” It was like something in a surrealist dream.’

Het beeld dat er uit dit boek opdoemt van Rudy Kousbroek is niet al te positief te noemen. Dat komt vooral door hem zelf. In bijna elke brief staat een excuus omdat hij te laat reageert, hij het te druk heeft, hij iets nog moet opzoeken, maar niet weet waar het precies ligt. Dat gaat maar door en door. ‘Mijn voornemen om eerst het machinestuk af te maken voor ik je zou schrijven heeft tot dusver geen ander gevolg dan dat ik je niet schrijf. (…) Ik had nog een heleboel te schrijven, ik zal eens een dag er voor uittrekken en uitvoerig antwoorden op de verschillende vragen die je me in diverse brieven hebt gesteld en de commentaren geven die verschillende dingen die je schreef in mij hebben opgeroepen, over literaire onderwerpen voornamelijk.’ (17 november 1965) Daarna volgt inderdaad een lange brief, waarop Hermans ook antwoordt met een lange brief en die zorgt voor veel intellectuele opwinding in huize Kousbroek. Maar die is niet van lange duur: ‘Daarna zak ik weer langzaam naar mijn gewone niveau terug waarin ik zelfs tegen het schrijven van een simpele brief opzie als tegen een huis.’ (15 december 1965) In 1966 krijgt hij Nooit meer slapen te lezen. In een brief laat hij Hermans weten later nog in detail te zullen berichten wat hij ervan vindt. Voorlopig volstaat hij met een opmerking over een drukfout. ‘Ik vond een drukfout, zoals ik aan Emmy al vertelde. Ik dacht dat ik hem dadelijk terug zou vinden maar dat viel tegen. Het is, heb ik in mijn hoofd, een au in plaats van een ou, onderaan een recto pagina, tegen het eind.’ Hermans reageert met een sarcastisch ansichtkaartje: ‘Ik ga een tweede deel maken bij Nooit meer slapen: Alfred geeft het eerste deel ter lezing aan zijn vriend en deze, na 6 weken studie, bericht er niets anders over dan dat er 1 drukfout in staat.’

De sfeer tussen de mannen blijft echter goed. Dat verandert als eind jaren zestig Hermans Kousbroek meesleept in een van zijn vele vetes. Kousbroek moet dan van zich afbijten om zijn zelfstandige positie te behouden. Het duurt dan wat langer voordat ze pen weer opnemen. De vertrouwdheid lijkt een beetje weg. Uiteindelijk komt er een nieuw conflict rond de polemiek die Hermans met Renate Rubinstein voerde over de kwestie Weinreb. Kousbroek kiest niet echt positie, Hermans maakt een foute grap over het kampverleden van Kousbroeks vader en de vriendschap is in 1971 voorbij. In een interview dat bezorger Willem Otterspeer achterin het boek heeft opgenomen, zegt Kousbroek dat hij nog wel eens terugverlangt naar het verleden. Hij mist: ‘Zijn geest. Zijn kennis, zijn belezenheid. Ik bewonderde zijn energie, zijn vasthoudendheid.’ Je krijgt wat medelijden met Hermans. Hij had al niet veel vrienden en nu is hij zelfs de vriend kwijt die zijn passies deelde. Voor mensen die vorig jaar een beetje teleurgesteld waren in de briefwisseling met Reve: dit deel is zeer de moeite waard.

Coen Peppelenbos

Willem Frederik Hermans, Rudy Kousbroek en Ethel Portnoy – Machines en emoties. De Bezige Bij, Amsterdam, 416 blz., €27,50
Verscheen eerder op Literair Nederland, 5 juli 2009

Titel van het boek:  Recensie Willem Frederik Hermans, Rudy Kousbroek en Ethel Portnoy – Machines en emoties

Auteur van het boek:  

ISBN:  

Dit artikel is geschreven door: Coen Peppelenbos

Coen Peppelenbos (1964): schrijver (Victorie), dichter (Sing Sing), redacteur (Tzum), recensent (Leeuwarder Courant), literatuurdocent (Noordelijke Hogeschool Leeuwarden) en blogger.

Recensie Gerbrand Bakker – Juni

Gepubliceerd op: 17 June, 2009 om 22:53 door:Coen Peppelenbos
Gerelateerde rubrieken:  Fictie en non-fictie, Onder de leeslamp

Recensie Gerbrand Bakker – Juni

Lobbige advocaat op de hooizolder

Zoals Adrie van Oorschot de echte Sinterklaas was voor een bepaalde generatie is koningin Juliana de enige, echte koningin. Beatrix is een soort Bram van der Vlugt. Juliana komt in het eerste en laatste hoofdstuk van Juni, de nieuwe roman van Gerbrand Bakker, tot leven als een eigengereide, sigaretten rokende vrouw die zich niets gelegen laten liggen aan de officiële hofregels en in haar beknotte levenslust komisch en tragisch tegelijk is. Ze brengt een werkbezoek aan het noorden van Noord-Holland, gaat van gemeente tot gemeente. Hoe kort dat eerste hoofdstukje ook is, Bakker stelt de meeste hoofdpersonen van de roman al voor omdat de koningin hen tegenkomt.

De kern van de roman vormt een dramatische gebeurtenis later op de dag als de bakker op zijn verlate bestelronde het tweejarige dochtertje van de familie Kaan doodrijdt. ’s Ochtends is zij nog over de wang geaaid door de koningin en een paar uur later ligt ze langs de kant van de weg. Vanaf dat moment verdwijnt moeder Anna regelmatig voor een onbepaalde tijd naar de hooizolder als alles haar te machtig wordt. Als ze het leven weer aankan, klimt ze weer naar beneden. Haar man, drie zonen, één schoondochter en één kleindochter zijn er na zoveel jaar inmiddels aan gewend.

In het romanheden ligt moeder Kaan dus weer op de hooizolder en intussen gaat het leven in en om de boerderij verder. Vanuit wel negen perspectieven volg je de dag waarop zoon Jan het graf van zijn zusje opknapt, de bij een motorongeluk ietwat geretardeerd denkende zoon Johan daarbij helpt, terwijl vader rondt de boerderij reddert, kleindochter veel niet begrijpt, zoon Klaas over de toekomst van de boerderij nadenkt, de bakker een bezoek aan het kerkhof brengt en aan zijn maîtresse, deze vrouw weer haar eigen fantasieën en obsessies heeft en moeder maar steeds op die hooizolder ligt en lobbige advocaat naar binnen lebbert.
Het verhaal draait natuurlijk om die fatale dag in het verleden, maar de roman blijft niet bij die ene verhaallijn hangen, want elk personage krijgt zijn eigen karakter mee. Het deed me denken aan Faulkners As i lay dying waarin een doorlopend verhaal verteld wordt aan de hand van de individuele verhalen van de afzonderlijke personages. De structuur van Juni is daarmee complexer dan Boven is het stil maar voor literatuurliefhebbers is er des te meer te genieten.
Hoewel Juni een heftige autobiografische kern heeft (die door Bakker vakkundig gefictionaliseerd is) wordt de roman nergens zwaar of sentimenteel. Dat komt omdat er continu iets te lachen valt: zo gooien de mannelijke leden van de familie Kaan om beurten en zonder het van elkaar te weten de hond in de sloot. Zo is de vrouw die het kerkhof in de gaten houdt ten prooi aan erotische oprispingen die niet helemaal kloppen met de indruk die ze op de buitenwereld wil maken. Als haar minnaar, de bakker, langskomt, sluit ze steevast de gordijnen. Zo zijn de dialogen, kortaf en norsig zoals we ze gewend zijn uit Boven is het stil, ook buitengewoon komisch. Daartegenover staan passages waar je meteen een brok van in je keel krijgt. Laten we het nu maar eens ronduit zeggen: Juni is op vele niveaus een prachtig boek.
Ik begon aan deze roman met de nodige scepsis, want ik had de recensies gelezen in de kranten. Alleen Joep van Ruiten in het Dagblad van het Noorden had een zeer positieve bespreking. Afgelopen zaterdag volgde op de radio bij de Tros Nieuwsshow Arie Storm met een zeer positieve bespreking (waarbij hij wel een opmerkelijke fout maakte toen hij de ontvangst van Juni samenvatte en zei: ‘Ik geloof dat alleen het Noord-Hollands Dagblad of zo, maar ja dat is zijn eigen krant of zo.’ Nee, Dagblad van het Noorden Storm, waarin je eigen recensies ook wel eens in worden doorgeplaatst. Bedenk hier zelf een smalende opmerking over een Amsterdammer en zijn kennis van de provincie). Ik schaar me bij deze twee positieve geluiden. Sterker nog: als je de kwaliteiten van Juni niet ziet, dan heb je als recensent echt stront in de ogen. Deze roman is het beste wat ik dit jaar tot nu toe heb gelezen.

Coen Peppelenbos

Gerbrand Bakker: Juni. Cossee, Amsterdam, 272 blz. €19,90.
Verscheen ook op Literair Nederland op 17 juni 2009

Gekoppelde sleutelwoorden:

Titel van het boek:  Recensie Gerbrand Bakker – Juni

Auteur van het boek:  

ISBN:  

Dit artikel is geschreven door: Coen Peppelenbos

Coen Peppelenbos (1964): schrijver (Victorie), dichter (Sing Sing), redacteur (Tzum), recensent (Leeuwarder Courant), literatuurdocent (Noordelijke Hogeschool Leeuwarden) en blogger.