26 november 2016

Worteltaart en boekhandels

Door Inge Meijer

Er was nogal wat over Boekhandels en Literatuur deze week. Daar waar de weerstand zit, is iets te onderzoeken. Veel mensen laten bij de minste weerstand hun rug zien (of slaan het boek dicht) en laten het afweten. Aan deze mensen is literatuur (wat wel eens de grondgedachte van de verkopers bij Boekhandel Athenaeum aan het Spui geweest zou kunnen zijn) niet besteed. Want je geeft ook niet graag een met zorg gemaakte pracht van een bonbon in handen van een visboer (waarom eigenlijk niet?). Wat goed is, moet met kennis van zaken en inzicht behandeld worden. Nou ja, zoiets. Want schrijven is een zaak van ambities hebben en een lezer zou ook wel ambities mogen tonen betreffende het leesaanbod. Ambities om kennis te nemen van geschiedenissen en inzichten die niet de jouwe zijn maar wel een deur openen waar je anders nooit achter gekeken zou hebben (hm, niet te mindfulnessachtig?).

Een Boekhandel binnenlopen kan dus een precaire zaak zijn. Er is de barrière van de boekhandelaar zelf te nemen. Of hij weet heel veel en overrompelt je daarmee, (‘Waarom komt u hier als u dat niet eens weet.’), dan ben je zo weg. Of hij heeft geen zin dat er aan zijn boeken gesnuffeld wordt, (doet u dat thuis maar) of hij heeft zijn dag niet omdat hij niks verkoopt, waarbij het hem niks kan schelen dat dit deels veroorzaakt wordt door eerder genoemde dingen. Joris van Casperen schreef er het prachtige en vermakelijke boek Is u bekend met het alfabet? Verhalen uit de boekhandel over.
Ik begreep opeens de schroom die me wel eens overviel als ik bij de Boekhandel aan het Spui ‘zomaar’ even binnenliep wanneer ik in de buurt was. Alleen een literair tijdschrift of het soort boeken als van Voskuil en Vogels kocht ik daar (misschien voelde ik me wel gedwongen die te kopen door de uitstraling van het personeel bedenk ik me opeens!). Ha, ze gaven je dan wel weer het gevoel alsof je ergens bij hoorde. Waarover Arjen Fortuin deze week in zijn column schreef dat er tegenwoordig niemand meer lid van wil zijn: van de Literatuurclub. 

Het beste is dan ook deze ogenschijnlijk ondoordringbare vestingen die Boekhandels kunnen zijn, te nemen in de ochtend. Vlak na openingstijd. Dan is de boekhandelaar op zijn kwetsbaarst en hoor je nog wel eens wat. Over een onverkoopbaar boek, of over die ene lastige klant. In de boekhandel in het oosten van het land, waar ik laatst zo onopvallend mogelijk met de handen op de rug langs de boekenkasten (met een werkelijk prachtige verzameling literatuur en poëzie) schoof, was er sprake van een klant die steeds naar hetzelfde boek vroeg maar het niet wilde bestellen.

Een piepjonge verkoper, die ik daar nog niet eerder had gezien, zei: “Net als in die mop van dat konijn dat bij de bakker komt en steeds vraagt: ‘Hebt u ook worteltaart?’ Waarop de bakker: ‘Nee.’ zegt. Die bakker denkt op een gegeven moment: ‘Ik zal je hebben’, en bakt een worteltaart. Als het konijn weer komt zegt de bakker: ‘Ja, die heb ik.’ Waarop het konijn zegt: ‘Vies hè.’ en wegloopt.”
‘Ah, zei de boekhandelaar gevat, dan zullen we maar geen worteltaart voor onze lastige klant bakken.’
‘Haha, neenee,’ werd er besmuikt gelachen en ik verschool me bukkend achter een boek van (Hee, kijk nou
. Is dit niet Judas van  de zus van Holleerder?) en bladerde er nieuwsgierig doorheen.

 

 

Recent

21 maart 2017

Intrigerende zwakheden

20 maart 2017

De zee in Tilburg

Literair Nederland - 10 jaar geleden

26 maart 2007

Zonder dat hij het wist, keek ze hem telkens na als hij voorbijkwam, de winkelierster, langs de zaak, soldaat Brû. Hij liep daar heel ongedwongen, in zijn vrolijke kaki klof, met zijn haar, tenminste wat er onder de kepie van te zien was, zijn haar keurig geknipt en nagenoeg glanzend, zijn handen langs de naad van zijn broek, handen waarvan de ene, de rechter, met onregelmatige tussenpozen omhoogging om een superieur te eren of de groet van een gedemilitariseerde te beantwoorden. Niet bevroedend dat hij elke dag door een bewonderend oog werd vastgepind op de weg die hem van de kazerne naar het bureel voerde stapte soldaat Brû, die in het algemeen nergens aan dacht, maar als hij dat toch deed dan het liefst aan de slag bij Jena, stapte soldaat Brû voort met de onbevangenheid van een niet-bewuste. Met zijn niet bewust grijsblauwe ogen en zijn niet bewust elegant omwikkelde beenkappen droeg soldaat Brû heel naïef al het nodige met zich mee om in de smaak te vallen bij een jongejuffrouw die niet helemaal jong meer was en ook niet helemaal juffrouw. Het ontging hem.

Zonder dat hij het wist, keek ze hem telkens na als hij voorbijkwam, de winkelierster, langs de zaak, soldaat Brû. Hij liep daar heel ongedwongen, in zijn vrolijke kaki klof, met zijn haar, tenminste wat er onder de kepie van te zien was, zijn haar keurig geknipt en nagenoeg glanzend, zijn handen langs de naad van zijn broek, handen waarvan de ene, de rechter, met onregelmatige tussenpozen omhoogging om een superieur te eren of de groet van een gedemilitariseerde te beantwoorden.

Lees meer