25 juni 2014

Bodemdrang – Laura van der Haar

Van der Haar heeft een patent op nieuwe woorden

Recensie door Albert Verweij

De Nederlandse kampioen Poetry Slam 2013, Laura van der Haar (1982), debuteerde onlangs met de bundel Bodemdrang. Van podium naar papier, van gehoord naar gelezen worden. De gedichten moeten het opeens zonder voordracht stellen, maar krijgen er een bladspiegel voor in de plaats. Wat voor het oor niet telt, kan in het oog lopen. Zo leest men in deze bundel hoofdletter noch punt aan respectievelijk begin en einde van een zin. Wel zijn voor het gemak de regels in strofen gegroepeerd en blijken de veertig gedichten in dit debuut voorbeeldig in drie afdelingen gerangschikt.

Voor de archeologe die deze laureaat ook is, zal het begrip ‘bodemdrang’ wellicht een andere betekenis hebben dan voor iemand die zijn vraatzucht niet beteugelen kan zodra een zak chips open gaat. Hoewel de bodemdrang van deze dichteres niet al te breed wordt uitgemeten, wordt de titel wel eer aangedaan door de frequentie waarmee aan bodem, grond en zoden wordt gerefereerd en er van een zeker verlangen in de grond op te gaan sprake lijkt te zijn. Zo leest men van een ‘plek om te zinken’, wordt er ‘grond’ gezocht ‘om in weg te zakken’ en ‘is de diepte te sterk / de bodem is zo zwak / slokt het mij op’. Een van de afdelingen heet dan ook veelzeggend verlanden. Hoewel Van der Haar met haar debuut geenszins een luchtige entree heeft willen maken, wordt in haar ‘bodemdrang’ niet echt diepe lagen aangeboord. Dankzij haar bij vlagen sterke, zeer eigenzinnige beeldspraak voert een aangename frisheid de boventoon in deze gedichten.

Van der Haar heeft een patent op nieuwe woorden en past ze met groot gemak toe in haar gedichten. Zo krijgt de lezer woorden als ‘woestijnhielen’, ‘grasnachten’, ‘dierenzweet’ en ‘draaimolenwind’ over zich heen. Woorden die goed bekken en prettig lezen. Gevoegd bij metaforen van het kaliber ‘de man duwt aan de ochtend’ of ‘een veranda lang geleden’ dragen ze ertoe bij dat de zinnen knisperen en er ruimte vrijkomt ‘voor het trillen van de dag erboven / voor het neerwaartse van vliegen’. Het aanvliegen van een zwerm opgejaagde, dolle vogels typeert ze als ‘een heel groots naderen, daarboven // zoals wanneer ze bij je in bad stappen en dan / het verschil met wanneer ze bij je in zee stappen/ bij deze vogels stapt iemand in bad / ze klotsen haast over de rand’. De speelse lef die uit dit soort zinnen spreekt, dwingt af dat men dergelijke zinnen graag het voordeel van de twijfel gunt en men zich niet bekreunt om de vraag wat er nu eigenlijk precies mee wordt bedoeld. Dit soort regels rechtvaardigen de blurb (‘regels die spankracht hebben’) van collega-dichter Mustafa Stitou zonder meer. Maar niet iedere zin dwingt een dergelijk mild oordeel af. De regels uit een ander gedicht ‘het is inmiddels geen badwater meer / het daalt hij moet bewegen, drinken / is slechts het omgekeerde van dat niet doen’ zijn te geconstrueerd om makkelijk te verteren. En bij het lezen van ‘[we] klommen in hekken / braken doormidden tot we volmondig kozen en spijt kregen’ zal het adjectief ‘volmondig’ de lezer een frons kunnen ontlokken. En wie zal beamen dat ‘als je verliefd bent (…) alles / altijd / heel erg’ is? Ieder bewijs voor die stelling blijft in het vers achterwege.

Op gemakzuchtige sfeertekening zul je haar niet gauw betrappen. ‘Op de achtergrond’ mag ‘het centrifugeren van een wasmachine’ hoorbaar zijn, terwijl elders in de bundel nog respectievelijk een koelkast en een hond mogen aanslaan, tegenover zulke inzak momenten staan in deze bundel grotere pluspunten, zoals in de vorm van een heel gedicht:

afzadelen

bleke ingenieurs van geheugenplaatsen
rochelen gelaten en weten vast
hoe ze buitenboord moeten slapen

drinken de dag uit hun glazen
hangen lappig in hun stoel, vragen
of hun hoofd even open mag

ze snuiven krampachtig, likken
hard geworden vachten
hangen een beetje de dood uit

ze raspen de korst van hun wonden
liegen sluitingstijden en in reflecties
staat er nog altijd iemand achter ze

Dit gedicht etaleert ten volle Van der Haars lovenswaardige eigenschap om voor de hand liggende beelden uit de weg te gaan. De woorden ‘rochelen’ een associatieve reeks van beelden op waarboven een onbestemde dreiging hangt. Het geheel mag tamelijk vaag blijven – iedere volgende strofe werpt wel een nieuwe vraag op – , suggestief is het er niet minder om. En dat er een groepje, onbehouwen kerels ‘lappig’ (ook zo’n aardig woord!) ‘een beetje de dood’ uithangt is een beeld dat graag beklijft. Van der Haar heeft goed begrepen dat een net niet te volgen gedicht zoveel plezieriger leest dan een voorspelbaar gedicht. Ze heeft een goede hand van het skippen van informatie, om in plaats daarvan de ene associatie op de andere te stapelen. Zo kan het missen van iemand tot een mistglans leiden: ‘iemand missen kan de vale gloed zijn / die boven steden hangt // mistglans van verkeersaders’. Met een paar scherpe pennenstreken tekent ze een heel perspectief: ‘alleen wolkenrafels langs weinig maan / een snelle veeg lipstick/woestijnhielen’. Maar die kunst van het weglaten is bij het vijf maal achterelkaar noemen van ‘fuck’ in het gedicht roezen overduidelijk niet toegepast. Maar goed, Laura van der Haar is een podiumdichteres, en vijf keer ‘fuck’ klinkt natuurlijk best geinig. Het oor wil tenslotte ook wat. Daar staat tegenover dat als twee mensen in één slaapzak belanden, er niet als een dolle tekeer wordt gegaan. Men leest slechts: ‘ik moest maar bij jou in bed blijven / tot mijn benen weer behaard waren’. De typisch dichterlijke neiging zich te richten op wat er niet meer is of weldra niet meer zal zijn is Van der Haar niet vreemd: ‘en binnenkort / komt hoe dan ook het moment / dat alleen de plek die je zojuist verlaten hebt / nog warm is’.

In haar gedichten worden niet de bloemetjes in de avondval liefelijk dicht gekust. Hier geen ‘knisperpaden, smoelzoete zomervakanties’. Hier wordt uit een ander vaatje getapt:  ‘alleen het blauw van dichtgeknepen ogen / is dat geen fijne kleur voor de natuur’. We hebben hier te maken met een stoere vrouw, die het er ruig aan toe kan laten gaan: ‘wat ik zou willen hebben: een baksteensnijder’. Hier spreekt iemand die erbij zou willen zijn als ze na haar dood haar hoofd ‘recht doormidden snijden/ rats door het gezicht (…) om te zien met wat voor mes / en of iemand dan mijn hals vasthoudt / of dat die misschien al weg is, mijn hals // en wat ze daar precies mee doen’.

In de gedichten die een terugblik bieden op een vredig beleefd verleden in een landelijke omgeving van eigen maat en eigen grens, is de toon anders. Er klinkt iets van heimwee in door: ‘toen leek alles dichterbij, logisch bij elkaar’ en ‘ooit was er iemand die een vlek uit je shirt haalde / even je schouders kneedde’. Het fijne zomeravondgevoel van vroeger wordt mooi getekend met: ‘die avond waarop het lekker rook / zomaar / wat vroeger tussen de beschoeiing door / een klein, open station / de slootkant / trage wind en dunne haartjes op je benen’. Maar sentimentaliteit krijgt bij deze dichteres geen kans wortel te schieten.

Dit debuut kent naast flair, genoeg eigenzinnigheid en weerbarstigheid om het te loven. Waar opent elders een gedicht met: ‘brommertje, zegt ze / je doet me aan een brommertje denken / aan een kale weg langs helmgras / aan vechtsport, nieuwe vuilniszak’? Een belegen woordkeuze kan haar niet verweten worden, wel dat ze nogal springerig te werk gaat, want de volgende strofe vervolgt met: ‘hij ritst haar bij in zijn deken / wil een letter zeggen, troostend’. Dat typeert haar poëzie: voor een beeldspraak geheel wordt afgeserveerd, springt het al over op een volgend beeld, en voor je het weet worden er drie of meer ballen in de lucht gehouden. In de daaropvolgende strofen verandert het beeld weer: ‘vandaag was hier een circus / ze wijst rechtuit het donker in, naar / vochtig stro, dierenzweet // naar de verte, de smiecht / die braak lag waar een ogenblik / de zon hing, groot rood bungelend // heeft zij er zand gezogen / een lange zucht, omgekeerd / heeft zij er braak gelegen // hij strijkt haar wang recht / haar jurkje, strijkt / is alle letters kwijt’. Dit is geen poëzie waarin alles op zijn pootjes terechtkomt. Goed, die letter uit het begin keert aan het einde terug. Met die ‘troost’ komt het ook wel goed, maar van dat brommertje wordt verder niets meer vernomen. Jammer misschien, maar het tekent ook de sterke kant van deze debutante. Die van de verrassende, scherpe penseelstreken waarmee ze een beeld in één keer neerzet.

Het is dat Van der Haar zich zelf verre van ieder cliché houdt, anders zou men kunnen eindigen met: dit debuut doet ons uitkijken naar haar volgende bundel…

 

 

Bodemdrang
Laura van der Haar
Verschenen bij: Podium b.v. Uitgeverij
ISBN: 9789057596582
64 pagina's
Prijs: € 16,50

Meer van :

20 januari 2017

Openhartig over lotsbestemming

Over 'Het visioen aan de binnenbaai' van Oek de Jong
19 januari 2017

Lawaaidichter en lawaaimakers

Over 'Radeloos en betoverd' van Pat Donnez
18 januari 2017

Streng en gewichtig

Over 'We hadden liefde, we hadden wapens' van Christine Otten

Recent

17 januari 2017

Ongrijpbare gedichten

Over 'Bladgrond' van Roland Jooris
16 januari 2017

Sprookjes hebben geen woorden nodig

Over 'Sprookjes van Grimm zonder woorden' van Frank Flöthmann
12 januari 2017

Een blik in de spiegel

11 januari 2017

Reis door het leven

Over 'De tere bloemen van het verstand' van Myrte Leffring
10 januari 2017

Een echt Renaissance-mens

Over 'Rusteloos en overal' van Michiel van Kempen

Verwant