31 oktober 2012

Bloed – Curzio Malaparte

Een onbestemde, poëtische waas en een geladen sfeer

Recensie door Albert Hogeweij

 

Onlangs heeft dichter/vertaler Jan van der Haar een nieuwe titel van Curzio Malaparte (1898-1957), de Italiaanse schrijver die met de oorlogsboeken Kaputt en De huid een ware cultstatus verwierf, voor het Nederlandse taalgebied ontsloten. Het gaat om de verhalenbundel Bloed (‘Sangue’) uit 1937.

Bloed bevat een dertiental verhalen, aangevuld met twee voorwoorden van Malaparte zelf uit 1937 en 1954. Daarin lezen we hoezeer Malapartes eigen leven door bloed gekleurd was: ‘Mijn jeugdherinneringen zijn rood van het bloed.’  Weldra volgt een quasi cultureel filosofische uiteenzetting van de Italiaanse horigheid aan de wetten van het bloed. Gespeend van een zeker pathos blijft het niet en de lezer moet enige gedateerde zinnen voor lief nemen.

Aangezien Italianen alles ondergeschikt hebben gemaakt aan het heilige ontzag voor het menselijk leven, komt hun morele besef alleen bij het vloeien van bloed naar voren. Het Italiaanse volk is nooit slaaf geweest van ideeën of geld, maar des te meer van hun hartstochten. En tot die typisch Italiaanse hartstochten rekent Malaparte jaloezie, eerzucht, liefde voor de moeder, de familie, het land. Uitsluitend een warmbloedig gepleegde moord is voor de Italiaan daarom vergeeflijk. Maar die welke gepleegd uit berekening, ambitie of hebzucht, zal nooit op vergeving kunnen rekenen. En net wanneer je als lezer denkt ‘het zal wel’ komt de schrijver met een welgemikte vuistslag: ‘Zelfs de grootste zielenpoten, kansarmen, blinden, bij wie het morele besef als het ware dood en begraven is, zijn nooit slaaf van honger of hebzucht, maar wel van hun bloed, en dat is de enige slavernij die ze vrij aanvaarden, alsof het een natuurlijke staat of een genadestaat is. In deze warme, strenge heerschappij brengen ze hun bestaan door, ze veroordelen zich tot de hel, maken zich op voor het paradijs. Hun wet ligt in hun aderen. Buiten die wet is er niets wat vat op hun lotsbestemming heeft: de rede, angst noch enigerlei hoop. (…) Vandaar dat aandoenlijke begrip voor andermans lichamelijk lijden. Om moreel leed malen ze niet zo, ja, soms lijken ze er bijna van te genieten, vooral bij anderen: en dan niet uit rancune, afgunst of een ander minderwaardig sentiment, maar uit een diep gevoel voor rechtvaardigheid, uit ervaring met de slechtheid en kleinheid van de mens. Omdat ze weten dat mensen allerlei vernedering, schande en wanhoop verdienen’. Kijk, dat maakt duidelijk waarom de als Kurt Erich Suckert geboren auteur juist Malaparte (‘hij die aan de slechte kant staat’) als pseudoniem koos, de antipode van Bonaparte. Als lezer ben je meteen wakker geschud. Want dat is de kracht van Malaparte: zo nu en dan strooien met rake, schurende zinnen, beelden die zich op je netvlies zetten en niet meer willen wijken. Dergelijke messteken maken het lezen van deze auteur de moeite waard.

In het verhaal Een stad als ik, waarin de auteur een portret van zichzelf als stad schetst, laat hij zijn gedachten gaan over haar bewoners en die ziet hij het liefst als: ‘Liefhebbers van fatsoenlijk vermaak, die eerder uit zijn op vrede dan op rijkdom. Maar ik zou wel graag een geheime onrust in die hoofden willen, want mensen die zo tevreden, zo zeker van zichzelf en anderen zijn, blijken niet tot grootse dingen in staat. Ik zou ze onrustig en onzeker voor de toekomst maken, zonder spijt of weemoed naar het verleden’. Volmaakt in de klassieke zin zou die stad niet moeten zijn, want ‘wat er echt nodig zou zijn, en waar men niet zonder kan, is een donkere smet op de keien van een steeg (..) Een druppel bloed, niemand zou weten hoe die er kwam, wie er gestorven is, en waarom. (…) Mocht hij als een smet op het geweten van de stad rusten: een reden van berouw en angst moet er immers zijn in een stad, als je wilt dat die volmaakt is.’ Weer bloed dus.

Er valt van alles over deze bundel te beweren, maar niet dat de titel de lading niet zou dekken. Alle dertien verhalen staan in het teken van het ontzag voor bloed. Daarover kon na het voorwoord al geen twijfel meer bestaan. En hoewel de schrijver daarin beweert bloed te verafschuwen, stelt hij zich tot taak zijn ‘eerste inzichten, ontdekkingen en onthullingen van de mysterieuze wetten van het bloed en bewustzijn’ te beschrijven. Als sommige passages wreed zouden lijken, komt dat echter niet doordat de auteur ze ‘gebundeld [heeft] uit een morbide genoegen in wrede beelden, maar om te tonen hoe men door de pijnlijkste ervaringen een ultiem, vrij bewustzijn van zichzelf en zijn volk en zijn tijd kan bereiken.’

Toch kan, wie de soms surrealistische oorlogstaferelen uit Kaputt en De huid in het geheugen gegrift staan, alleen maar constateren dat het met die wreedheid in Bloed nog wel meevalt. Ze ligt voortdurend op de loer, maar de verhalen waarin de wreedheid botgevierd wordt, zijn in de minderheid. Hier is de auteur aanzienlijk ingetogener, poëtischer te werk gegaan, is de sfeer minder bizar. De verhalen dateren nog van vóór de Tweede Wereldoorlog. En hoewel Malaparte als adolescent in de Eerste Wereldoorlog vocht, klinkt het krijgsgewoel daarvan nauwelijks door. De toon in de verhalen is beduidend bescheidener dan die van het voorwoord. Veel verhalen hebben een onbestemde, poëtische waas over zich. Er gebeurt vaak te weinig om van een plot te kunnen spreken, maar de sfeer is geladen. De meeste gaan over de als somber en beklemmend beleefde kindertijd en over het gevoel overal buiten te staan: geen binding te hebben met de mens, met de wereld om hem heen. ‘Als kind was ik triest, diep ongelukkig’ is een zin die wat betreft de gemoedstoestand van het jonge kind veel samenvat. Alle zintuigen staan open, want de buitenwereld is vol dreiging. Dat levert uitdagende, expressieve beeldspraak op als ‘er hing een reusachtige kwetsbare rust in de lucht’ en ‘onder het raam hijgde de zee als een koe voor de gesloten staldeur’. Wanneer de schrijver het vertelperspectief even overneemt, worden zulke zinnen even makkelijk ingewisseld voor wat meer reflectieve: ‘Ik ken mijn geheimen, mijn kracht, de duistere en lichte kanten van mijn geest, wat er al dood is in mij, wat nog levend. Ik weet hoe ik mezelf moet teleurstellen’.

Langzaamaan zien we de het kind tot jongeling opgroeien. In het verhaal Jongenskwelling gaat de ik-figuur gebukt onder de last van twijfel en onzekerheden. Wanneer hij eindelijk een jongen in vertrouwen heeft genomen om hem zijn kwellende gevoelens op te biechten, lezen we: ‘ik voelde dat ik hem ongewild met mijn woorden de zekerheid had gegeven dat voor hem nu alles verloren was, dat niets hem meer zou kunnen verlossen van die angst, die vrees voor de dood waarvan mijn biecht me voorgoed had bevrijd.’

Dat iemand zich ten koste van een ander van zijn juk bevrijdt, zien we terug in het langste verhaal Een gelukkige dag, waarmee de bundel besluit. Hierin volgen we een ambtenaar van het Kadaster die zomaar besluit een dag niet naar zijn werk te gaan, maar de buitenwijken van Rome in te trekken, alwaar hij de sfeer van het zuivere Italië meent te beleven en zich verwelkomd voelt door de militairen en zwarthemden. Wanneer hij in een café, in kennelijke staat verkerend, aan de aanwezige arbeiders een rondje geeft, raakt hij met hen in gesprek. Voortdrinkend komt de ambtenaar tot het besef dat zijn kantoorbaan, zijn leventje één grote gevangenis is en dat hij zich al die jaren door angst heeft laten regeren. Hij betreurt het uit ander hout te zijn gesneden dan de arbeider. Een dreigende sfeer ontstaat wanneer een handgemeen volgt met de waard die vindt dat er inmiddels genoeg alcohol is geschonken. Maar die bui trekt vooralsnog over. Van echte toenadering wil het evenwel niet meer komen, en enigszins ontnuchterd druipt de ambtenaar af. Thuisgekomen komt die sfeer van dreiging weer vervaarlijk terug en in een vlaag van blinde woede reageert hij zich mededogenloos af op zijn huiskat. Met stip de gruwelijkste scène van het boek. Het brengt de dader wel in een staat van bevrijding. ‘Een glimlach van overwinning, maar dan schuchter en zacht, die van een kind dat eindelijk genezen is van een heimelijk verdriet en zich overgeeft aan een vrije, blije droom’, luiden de laatste woorden. En aldus lijkt de open wond van de kindertijd definitief geheeld en is de volwassen man verschoond van zijn angsten.

De vertaling leest goed. Slechts bij een heel enkel zinnetje was er even twijfel: ‘hm, wat zou hier in het origineel hebben gestaan?’ Een omissie is echter wel dat nergens in het boek (niet eens achterop!) enige informatie te lezen valt over de auteur. Terwijl de achterflap bij uitstek gelegenheid biedt een auteur als Malaparte met goed in de markt liggende termen als ‘controversieel’ en ‘cultstatus’ te etaleren. Enige gegevens omtrent de man die in zijn politieke wisselvalligheid dikwijls aan de verkeerde kant van de geschiedenis belandde, had geen kwaad gekund. De potentiële lezer die nog onbekend is met de naam Malaparte, en die het boek in een boekwinkel, afgaande op de niet oninteressant luidende titel, van de stapel plukt en enig houvast zoekt in de vorm van auteursinfo, wordt nu niet op zijn wenken bediend. De toegankelijkheid en het niveau van de verhalen maken het boek echter zeer geschikt ter introductie van Malapartes werk. Voor de lezer die zich al gewonnen had gegeven na lezing van Kaputt of De huid, en het zonder flaptekst kan stellen, is deze bundel natuurlijk sowieso een aanrader.

 

 

Bloed
Curzio Malaparte
Vertaling door: Jan van der Haar
Verschenen bij: Samenwerkende Uitgevers VOF
ISBN: 9789086840892
155 pagina's
Prijs: € 16,50

Meer van Albert Hogeweij:

20 oktober 2017

Soepel en licht vallende poëzie

Over 'Wax Hollandais' van Abdelkader Benali
18 mei 2017

Poëzie gefascineerd door het zijn, het aanwezig zijn.

Over 'Gebogen planken' van Yves Bonnefoy

Recent

17 november 2017

Uitzichtloos leven in Unthank / Glasgow

Over 'Lanark' van Alasdair Gray
15 november 2017

Een portret in stukjes

Over 'Waarom ik mensen niet in mootjes hak' van Renske de Greef
14 november 2017

Diepe emoties in weloverwogen zinnen met originele beelden

Over 'Binnenplaats' van Joost Baars
13 november 2017

Een aaneenschakeling van mislukkingen?

Over 'We haten elkaar meer dan de Joden' van Els van Diggele
9 november 2017

Verlangen in vele variaties

Over 'Het raadsel van de liefde' van Andre Aciman

Verwant

31 oktober 2012

Recensie door: Rein Swart

Over 'Recensie: Fausto Coppi & Gino Bartali, Curzio Malaparte' van Curzio Malaparte
31 oktober 2012

Een onmogelijke, maar beproefde liefde

Over 'Gescheiden kamers' van Curzio Malaparte
31 oktober 2012

Op zoek naar een verloren droom

Over 'Lenz' van Curzio Malaparte