8 augustus 2013

Bijt me toch, bijt me! – Carl Friedman (samenstelling)

Recensie door Hilde van Vlaanderen

Recensie door Hilde van Vlaanderen

In de dierenverhalen die Carl Friedman gekozen heeft uit de omvangrijke Russische bibliotheek gaat het niet alleen om de dieren zelf, maar meer nog over de relaties tussen mens en dier. Daarnaast geeft deze bundel een mooie indruk van de verschillende schrijfstijlen van de zes schrijvers van wie eenentwintig verhalen zijn opgenomen.

‘De kleine burgerman Michael Petrov Zotov, een jaar of zeventig oud, aftands en eenzaam, werd wakker van de kou en van de pijn in al zijn leden’. ‘Een jonge, rossige hond – een kruising tussen een teckel en een straathond – met een kop die erg op een vossesnuit leek, rende heen en weer over het trottoir en keek onrustig om zich heen.’ Dit zijn de beginregels van het laatste en het eerste verhaal, beide geschreven door Anton Tsjechov, van wie negen verhalen in de bundel te lezen zijn. Bij Tsjechov schuilt de droefheid en de weemoed vaak om de hoek, evenals de hoop op betere omstandigheden. Zoals in het prachtige eerste verhaal Kasjtanka over de jonge hond, die zijn baas bij wie hij het eigenlijk helemaal niet zo goed heeft kwijt raakt, dan bij een zorgzame man terechtkomt waar hij ruim te eten en drinken krijgt en vriendelijk wordt toegesproken. De man is clown in het circus en hij leert de jonge hond een aantal trucjes, maar bij het eerste optreden gaat het mis. Boven in de nok van het circus zit de eerste baas met zijn zoon, zij herkennen en roepen Kasjtanka, die dwars over alle banken naar boven rent en weer met hen mee naar huis gaat. Tsjechov schrijft niet, of iets goed of beter is, hij registreert en laat het aan de lezer over na te denken over de implicaties van bepaalde gebeurtenissen. Zo is de weemoed in het laatste verhaal gelardeerd met oneindige onmacht van de arme man, die niet voor zijn zieke oude hond en zijn broodmagere oude paard kan zorgen. Het helpt niet om te praten met zijn oom, het helpt niet om te drinken, het helpt niet om ergens nog om geld te gaan vragen. Hij moet een beslissing nemen en wanneer hij dat gedaan heeft, gaat hij naar huis. En Tsjechov schrijft: ‘Daarna waren zijn ogen tot in de avond met een dof waas bedekt geweest, waardoor hij zelfs zijn eigen vingers niet kon onderscheiden’. Hoe subtiel kun je verdriet beschrijven?

Veel minder subtiel, maar glashelder, beeldend en precies schrijft Isaak Babel zijn verhalen. Babel (1894-1940) heeft net als Tsjechov voornamelijk verhalen en enkele toneelwerken geschreven. Zijn verhalen spelen in Odessa in de Joodse wijk, beschrijven gebeurtenissen tijdens een veldtocht tegen de Polen en vertellen over zijn jeugd. Het beroemde verhaal De geschiedenis van mijn duiventil is min of meer autobiografisch. Ook Babel maakte in zijn jeugd pogroms tegen de Joodse bevolking mee. In dit verhaal vertelt hij over de vader, die zo graag wil dat zijn zoon naar het gymnasium gaat, dat hij hem een duiventil belooft. Een van de leraren wordt als volgt beschreven: ‘Die Karavajev was een blozende, verbolgen man, die in Moskou had gestudeerd. Hij was amper dertig. Zijn mannelijke wangen hadden een blos als die van boerenkinderen, op zijn ene wang zat een wrat waaruit een plukje asgrauw kattenhaar groeide.’ Precies in zijn taalgebruik en de keus van zijn metaforen: ‘Niemand ter wereld reageert zo sterk op nieuwe spullen als kinderen. Kinderen beven bij de geur ervan, zoals een hond bij een hazespoor, en voelen een uitzinnigheid die we later, volwassen geworden, inspiratie noemen.’ Precies en gruwelijk, zoals in de scène, waarin de jongen eindelijk zijn duiven heeft gekocht, terug naar huis gaat en dan blijkt daar een pogrom te zijn. Een woedende man slaat hem met een van zijn duiven om zijn oren. Hoe gruwelijk het was, heeft Babel zonder pardon beschreven. Dat zie je voor je, daar heb je geen film meer voor nodig. De verhalen van Babel komen echt bij je binnen en blijven hangen. Enerzijds is het taalgebruik prachtig, anderzijds is de sfeer vaak zo indringend, dat je die verhalen gedoseerd moet lezen.

Ivan Boenin (1870-1953) is net als Babel een schrijver uit het begin van de 20e eeuw. Hun leven en hun lot verschilden echter hemelsbreed. Boenin had een weliswaar niet rijke, maar wel aangename, rustige jeugd op een landgoed in Midden-Rusland. Hij volgde een opleiding tot bibliothecaris en journalist en werkte enkele jaren als ambtenaar. Zijn verhalen zijn gekleurd door de sfeer van het platteland. Door gesprekken met boeren tijdens zijn jonge jaren kon hij later een mooi beeld geven van de Russische volksaard. Zijn verhalen zijn vaak suggestief, zoals in De kraanvogels de lezer zich maar moet voorstellen, waarom de jonge molenaar zo wanhopig is als de kraanvogels al weggevlogen zijn. En in het verhaal Wolven een jonge vrouw de rest van haar leven met een mysterieus glimlachje vertelt over die keer, dat de paarden op hol sloegen bij het zien van enkele wolven. Boenin was een groot bewonderaar van Lev Tolstoj en van Anton Tsjechov. Van de een nam hij wellicht de nostalgie over en van de ander het suggestieve, geconcentreerde schrijven.

Cholstomjer. De geschiedenis van een paard is een lang verhaal, onderverdeeld in 12 hoofdstukken. Lev Tolstoj laat hier een ander perspectief zien, hij laat een paard zijn – droevige – levensverhaal vertellen. En daarin zijn ook, typisch voor Tolstoj (1828-1910) filosofische gedachten opgenomen, over andere dieren, over die andere dieren – de mensen -, over jaloezie, over armoede en rijkdom. Niet alleen in geld, maar ook van geest. Het paard verlangt zijn hele leven naar de goede tijd, die hij ooit bij een huzarenofficier heeft doorgebracht. Toen was zijn leven mooi, hoewel zijn baas niet van hem hield, maar alleen met hem pronkte. Tolstoj weet ook in dit verhaal de goede en slechte kanten van de mens te tonen, ditmaal via de observaties van het trouwe paard.

Ontroerend zijn de drie verhalen van Fjodor Dostojevski, die het verlangen van mensen naar een levend wezen, ook al is dit een hond of een paard laat zien. In een fragment uit Aantekeningen uit het dodenhuis, de roman die Dostojevski (1821-1881) over zijn tienjarig verblijf in een kamp in Siberië schreef, beschrijft hij hoe de band met de hond Sjarik is ontstaan en hoe belangrijk deze voor hem is. Ook vertelt hij in het fragment De dieren uit onze gevangenis welk effect sommige dieren op de gevangenen en het leven in de gevangenis hebben. Dostojevski was als politiek gevangene tussen dieven en moordenaars geplaatst in het kamp, toch schrijft hij met veel mededogen over zijn medegevangenen.

Het enige verhaal van Ivan Toergenev in dit boek is Moemoe, een realistisch verhaal geschreven in 1854, zeven jaar voor de afschaffing van de lijfeigenschap. Ivan Toergenev (1818-1883) was opgegroeid op een landgoed in het midden van Rusland, een gebied waar fraai en zuiver Russisch werd gesproken. Toergenev is dan ook in eigen land geliefd om zijn verzorgde taalgebruik en zijn mooie natuurbeschrijvingen. In het verhaal Moemoe beschrijft hij het lot van een lijfeigen boer, Gerasim die door zijn oude bazin mee naar Moskou wordt genomen. Gerasim is doofstom, groot en ijzersterk. Hij is doodongelukkig in de grote stad, de kleine behuizing en met het werk wat hij in en om huis moet doen. Dan wordt hij verliefd op een aardig meisje, maar zijn bazin huwelijkt haar aan iemand anders uit. Gerasim is diep verdrietig. Er komt een hondje aangelopen, Moemoe, waar Gerasim voor gaat zorgen. Met Moemoe is hij gelukkig en tevreden. Maar ook dat gunt zijn oude, krengerige bazin hem niet. Ze zegt, dat ze last heeft van het geblaf van het hondje. En gelast de andere bedienden te zorgen, dat Moemoe weg moet. .. Enfin, hoe het verder gaat moet de lezer maar ontdekken. Wat echter karakteristiek is voor Toergenev, is dat hij de willekeur van een eigenaar ten opzichte van een weerloze, onmachtige lijfeigene toont. Dit heeft alles te maken met de jeugd van Toergenev, wiens moeder eveneens zeer hardvochtig was tegen haar personeel. In die tijd was men niet verheugd over deze realistische verhalen van Toergenev, waarin de boeren, de lijfeigenen positieve eigenschappen kregen.

Een mooie bundel verhalen, een interessante eerste indruk van zes verschillende schrijvers, die gemeen hebben dat ze allen met grote intensiteit over mens en dier schrijven, en tegelijkertijd in hun taal en stijl ook weer heel gevarieerd zijn.

 

Bijt met toch, bijt me!
De mooiste dierenverhalen uit de Russische bibliotheek

Samenstelling: Carl Friedman
Verschenen bij: Uitgeverij Van Oorschot
Aantal pagina’s: 240
Prijs: € 17,50 .

Bijt me toch, bijt me!
Carl Friedman (samenstelling)
ISBN: 9789028250987

Meer van Hilde van Vlaanderen:

3 december 2013

Lastige dilemma's

Over 'Paulina Buxareu' van Josep Maria de Sagarra
13 september 2013

Recensie door Hilde van Vlaanderen

Over 'Herinneringen aan Sonia Gaskell ' van Rudi van Dantzig
19 maart 2013

Zonder aanziens des persoons, ook als het de vijand is

Over 'Oorlogsparadijs' van Nico Dros

Recent

17 augustus 2017

Gedichten die op afstand blijven maar ook weten te ontroeren

Over 'De wereld onleesbaar' van Jeroen van Kan
11 augustus 2017

Zorgenkind of zondagskind

Over 'Herinneringen in aluminiumfolie' van Jamal Ouariachi
9 augustus 2017

Wachten op Godot aan de Moldau

Over 'Een afgedane zaak' van Patrik Ouredník
7 augustus 2017

Een kanjer

Over 'De tandeloze tijd 6 : Kwaadschiks' van A.F.Th. van der Heijden
4 augustus 2017

Wondranden

Over 'Een tuin in de winter' van Anna Enquist

Verwant

8 augustus 2013

Teaser met een laag soortelijk gewicht

Over 'De vrouw van een ander en de man onder het bed ' van Carl Friedman (samenstelling)
8 augustus 2013

Isaak Babel in EYE