12 mei 2015

Berlin Alexanderplatz – Alfred Döblin

Zicht op de ingewanden van de stad

Recensie door Lodewijk Brunt

Alfred Döblin leefde in Berlijn tijdens de gouden jaren twintig. Omstreeks 1880 telde de stad één miljoen inwoners, omstreeks 1900 ruim twee miljoen en in 1920, na de vorming van Groot Berlijn, ruim vier miljoen. Tussen 1920 en 1930 kwamen er nog eens een half miljoen mensen bij. Metropool, centrum van Europa. Zijn Berlin Alexanderplatz. Die Geschichte vom Franz Biberkopf speelt zich precies in deze periode af. Döblin schreef het boek in 1928, het kwam uit in 1929. Een roerige tijd, volop politieke instabiliteit. Vanaf links revolutionaire dreiging, en aan de andere kant het oprukkende fascisme.

In dit krachtenveld is het verhaal van Biberkopf gesitueerd, vanaf zijn ontslag uit de gevangenis – waar hij een straf uitzat wegens het vermoorden van zijn vriendin Ida – tot aan het portiersbaantje dat hij krijgt na verblijf in een gekkengesticht. Ook zijn nieuwe vriendin, Mieze, wordt vermoord; ze wordt beestachtig doodgeslagen en ergens in het bos begraven, en iedereen denkt: dat heeft Franz gedaan, de vrouwenmoordenaar. Alleen door toeval komt de ware toedracht aan het licht. Franz wordt door zijn vrienden een rijdende auto uitgesmeten en verliest zijn rechterarm, hij wordt bedrogen en verraden, raakt aan de drank, verliest zijn verstand. De korte, tragische geschiedenis van een man die zich heilig voorneemt ‘fatsoenlijk’ te worden, maar die steeds dieper in de narigheid verzeild raakt – dat alles buiten zijn schuld natuurlijk, de anderen hebben het gedaan, steeds weer.

Maar Berlin Alexanderplatz is meer dan Franz Biberkopf, het is ook een indringend portret van het Berlijnse Lumpenproletariat. In De Achttiende Brumaire van Louis Bonaparte omschrijft Karl Marx wat we daaronder moeten verstaan: ‘aan lager wal geraakte roués met bestaansmiddelen van twijfelachtige aard en van twijfelachtige herkomst, verlopen en avontuurlijke gedeclasseerde elementen uit de bourgeoisie, vagebonden, ontslagen soldaten, ontslagen tuchthuisboeven, weggelopen galeislaven, oplichters, goochelaars, lazzaroni, zakkenrollers, charlatans, spelers, maquereaus, bordeelhouders, sjouwers, literatoren, orgeldraaiers, voddenrapers, scharenslijpers, ketelboeters, bedelaars, kortom heel de ondefinieerbare, onsamenhangende, heen en weer geworpen massa die de Fransen la Bohème noemen’. Alfred Döblin kende zijn klassieken, dat kan niet anders – in zijn Berlijn ging de politieke strijd grotendeels om de heerschappij over de ‘straat’, en wie het Lumpenproletariat voor zich kan winnen heeft de macht voor het grijpen, zoals na de publicatie van Döblins boek maar al te duidelijk is geworden – Berlin Alexanderplatz belandde meteen op de brandstapels toen de ‘verderfelijke’ literatuur door de fascisten in de fik moest worden gestoken. Franz Biberkopf maakt deel uit van precies zo’n verzameling als Marx voor ogen had: inbrekers, straatrovers, helers, kroegbazen, pooiers, bajesklanten, hoeren, venters, bedelaars, dieven, moordenaars. Een gezelschap dat maatschappelijk bijna onzichtbaar is, kamerbewoners die nooit lang op hetzelfde adres te vinden zijn, snel wisselende, losvaste relaties, twaalf ambachten, dertien ongelukken, onduidelijke bronnen van inkomsten, alcoholisme, drugsgebruik, psychische instabiliteit. We zouden Biberkopf tegenwoordig beschouwen als een psychopaat, en een flink deel van zijn vrienden en maten niet minder – onbetrouwbaar, gevaarlijk volk. Geweld aan de orde van de dag.

Vriendin Mieze, die Franz onderhoudt met haar prostitutie, is met de verkeerde man uit geweest.
En ineens wordt Franz door de gilgolf meegesleurd. Een doldoldolzinnige. Hij grijpt een stoel bij het bed, die vliegt krakend uit zijn hand. Dan loopt hij schuin naar Mieze, die nog overeind zit en één langgerekte gil slaakt, gilt en krijst en krijst, en hij houdt van achteren haar mond dicht, gooit haar op haar rug, knielt over haar heen, gaat met zijn borst over haar mond liggen. Die… maak… ik… koud.
Maar een paar uur later is alles weer koek en ei.
Ze vallen in elkaars armen, overladen elkaar met kussen. ‘Ik had je bijna vermoord, Mieze. Wat heb ik je toegetakeld, niet te geloven’. ‘Wat maakt ’t uit. Dat je teruggekomen bent, dat is ’t belangrijkste’.

Een bestaan dat in de sociaalwetenschappelijke literatuur wel eens wordt aangeduid als hard living, het leven aan de zelfkant. Anders dan Marx, die het Lumpenproletariat minachtte en vervloekte, probeert Döblin Biberkopf en de zijnen neutraal, van binnenuit te beschrijven. Als een antropoloog legt hij de vluchtige relaties bloot, laat hij zien hoe inbraken plaatsvinden, hoe bendes georganiseerd zijn, hoe je aan vergunningen komt voor straathandel. Seksuele relaties wisselen snel, minnaars en minnaressen worden aan elkaar doorgegeven alsof het om afgedragen kleding gaat. Mieze wordt door een paar ‘weldoeners’ onderhouden en onderhoudt op haar beurt Franz, maar maakt tussendoor leuke uitstapjes met maatjes die tot dezelfde inbrekersbende als haar Franz behoren. Döblin heeft er, als arts, met zijn neus bovenop gezeten.

Ook bij politieke bijeenkomsten. Franz raakt in discussie met een oude arbeider, anarchist.
‘Wat ben jij eigenlijk, collega?’. ‘Ik? Pooier, zie je dat dan niet? Nog ’n keer: pooier, snap je wel’. ‘Jullie zijn ’t schuim van ’t kapitalistenmoeras. Maak dat je wegkomt! Jullie zijn niet eens proletariërs. Zoiets noemen wij schorriemorrie. Laat ik jullie hier niet meer zien’. ‘Daar hoef je niet bang voor te zijn, meneer de directe gelulactie, wij willen met kapitalistenknechten niks te maken hebben’.

Er is nog een derde laag in het boek, Alfred Döblin heeft het leven van Franz Biberkopf geplaatst binnen de magistrale omlijsting van Berlijn. Een waar kunststuk. De stad is een personage op zichzelf, een vertrouwde omgeving, maar ook een levend decor dat Franz Biberkopf angst en ontzag inboezemt. We krijgen te horen wat voor dag het is, hoe laat, het weerbericht, de beurskoersen, de routes van de tram, de winkeletalages en hun opschriften, berichten uit de krant, reclameteksten, adressen uit het telefoonboek, overlijdensadvertenties. Je kunt met je vinger op de kaart de routes volgen die Biberkopf aflegt. De stad leeft haar eigen leven, volgt haar eigen ritme, Franz heeft zich maar aan te passen.
De trams raasden bellend verder, gevel na gevel flitste onophoudelijk voorbij. En er zaten daken op die huizen, zijn ogen dwaalden naar boven: als die daken er maar niet af gleden, maar de huizen stonden recht. Waar moet ik, arme donder, naartoe, hij sleepte zich langs de muur van huizen, er kwam geen einde aan.
We krijgen zicht op de ingewanden van de stad, de hoeveelheid koeien, schapen en varkens die dagelijks geslacht worden, het aantal mensen dat overlijdt en geboren wordt, strafzaken, verkeersongelukken. De montage van stadsbeelden staat los van het verhaal van Biberkopf – de muren van de stad geven niet mee als hij zijn hoofd stoot en dat doet hij, herhaaldelijk.

Alfred Döblins reputatie staat in de schaduw van de grote Thomas Mann, maar Berlin Alexanderplatz is een fenomenaal boek dat zich met ieder meesterwerk kan meten, en dat als grotestadsroman in het bijzonder op eenzame hoogte staat. Er is zojuist een (tweede) Nederlandse vertaling verschenen, door Hans Driessen. Iedereen kan je vertellen dat Berlin Alexanderplatz niet te vertalen is – het vooroorlogse plat-Berlijns alleen al. Driessen erkent het probleem in zijn nawoord, hij heeft geen poging gedaan dat Berlijns om te zetten in een Nederlands equivalent. ‘Het is het prijskaartje dat hangt aan de vertaling van Berlin Alexanderplatz (…) wie het boek in zijn volle rijkdom wil genieten, zal er niet onderuit kunnen het origineel te lezen’. Inderdaad, maar Driessen kan dik tevreden zijn met wat er nu ligt – binnen de beperkingen is de vertaling bewonderenswaardig. Döblin wordt recht gedaan en houdt zijn glans – meer kun je niet verlangen.

Berlin Alexanderplatz
Het verhaal van Franz Biberkopf

Auteur:  Alfred Döblin
Vertaald door en met nawoord van: Hans Driessen
Verschenen bij: Uitgeverij Wereldbibliotheek (2015)
Aantal pagina’s: 541
Prijs: € 49,95

 

Berlin Alexanderplatz
Alfred Döblin

Meer van Lodewijk Brunt:

17 november 2016

Stilist van wereldklasse

Over 'Mc Sorley's wonderbaarlijke saloon' van Joseph Mitchell
19 oktober 2016

Een en al puzzel

Over 'De sneeuw kimono' van Mark Henshaw

Recent

18 januari 2017

Streng en gewichtig

Over 'We hadden liefde, we hadden wapens' van Christine Otten
17 januari 2017

Ongrijpbare gedichten

Over 'Bladgrond' van Roland Jooris
16 januari 2017

Sprookjes hebben geen woorden nodig

Over 'Sprookjes van Grimm zonder woorden' van Frank Flöthmann
12 januari 2017

Een blik in de spiegel

11 januari 2017

Reis door het leven

Over 'De tere bloemen van het verstand' van Myrte Leffring

Verwant

12 mei 2015

Voor een verloren vriendschap

Over 'Het eerbetoon' van Alfred Döblin
12 mei 2015

Een huiveringwekkend, aangrijpend sprookje

Over 'Kinderjaren in Berlijn' van Alfred Döblin
12 mei 2015

Mislukte lasagne

Over 'De corrector ' van Alfred Döblin