12 mei 2016

Andere Kluger Hans

Door Inge Meijer

Het scheelt nauwelijks een halve centimeter aan de zij- en bovenkant, maar toch, je ziet het. Hij is smaller. En dunner, veel dunner. Eens even tellen. Ja, de december editie bedroeg 70 pagina’s en deze, de voorjaarseditie 48 pagina’s. Dat maakt een flink verschil. Het ligt ook niet zo soepel in de hand. En waar is het stukje omslag van de cover gebleven waardoor het zo stevig oogde en aanvoelde? Ge-cut op de maat van de bladzijden. En er staan geen afbeeldingen in, op een enkele groene grafische krabbel na.

Mijn handen herinneren zich een andere vorm. Het tijdschrift, dat ze met een driemaandelijkse regelmaat vasthouden, doorbladeren, het smalle ruggetje doorbuigen, kwam ze vertrouwd maar toch anders voor.Het was ook anders. Ik zelf had het niet direct in de gaten. Ik bladerde, las wat, probeerde het ruggetje te buigen, tot mijn handen me lieten weten dat het literaire boekje erg dun was, te dun om te buigen. Het zou kunnen scheuren!, dacht ik. Maar dat was een overdreven gedachte.

Ik begon te onderzoeken wat er anders was en ontdekte het gemis van minder dan een halve centimeter en de afgesneden coverflap in vergelijk met de vorige edities. Nog meer wilde ik ontdekken en onderzocht bladzijde na bladzijde en vond geen enkele afbeelding, alleen die grafische krabbels, die ook wel iets hadden.

Denk de afbeeldingen weg en wat je overhoudt is een tijdschrift vol tekst. Bladzijden vol woorden die hun eigen choreografie bepalen en dansend een verhaal neerzetten en rijen poëzie.

Zoals de mooie prozastukjes van Xavier Roelens over onder meer, een pelgrim. ‘je zoekt zingeving in stof, maar stof toont alleen dat het leven al lang niet meer langsgekomen is.’ 

De bladzijden steeds verwoeder openvouwend (pas op het scheurt!) lees ik het verhaal Bal, van Marijn Sikken. Over Joost, een gehandicapte buurjongen, Dirkje en een duif die zich kapot vliegt tegen een raam. Dirkje wil met gewone kinderen spelen maar die kinderen, die eerst wel om zijn anders zijn hebben kunnen lachen, krijgen al gauw genoeg van hem. “Later pas zou ik de woorden vinden voor wat ik toen al wist: dat mensen die anders zijn dan wij altijd maar voor even  leuk zijn. Dat ze daarna alleen maar vervelender worden.” Wat het beeld weergeeft dat in een leven niets op zijn plaats blijft, zelfs meningen en ideeën niet. Hier wordt aan de kern van de noodzaak tot het onhoudbare veranderen geraakt. Ach en wat zeur ik dan over formaat enzo, als de inhoud maar goed is.

Poëtisch werk is er van Philippe Cailliau, Chris Ceustermans en J.De Vries. Van Jonas Beckers één kort gedicht:

De hand van de meester

Vraag aan de meester
welke kleur hij ziet
wanneer de nacht eindigt
en de dag begint.

hij zal een lichte streep trekken
naast een donkere
maar nooit zijn geheim prijsgeven.

stel dezelfde vraag
aan de knecht van morgen
hij zal door een lensnaar de wereld kijken.

in zijn graf rust geen geheim.

Alles om gewenning tegen te gaan. Dit is een andere Kluger Hans met verrassende inhoud.

 

 

 

Recent

20 september 2017

In de huid van een leeuwin

19 september 2017

Nieuw leven beschreven

18 september 2017

Dichter van de werkelijkheid

16 september 2017

Een week lang feest

15 september 2017

Een wonderlijk leerdicht 

Literair Nederland - 10 jaar geleden

24 september 2007

"Toen ik jou voor het eerst zag, kwam je voorbijfietsen op een bakfiets waarin je spullen vervoerde. Het was laat in het jaar 1952, in de winter. Ik stond voor het raam van mijn ouderlijk huis in de Wilhelminastraat, waar mijn ouders een hotel-pension dreven, naar buiten te kijken. De Wilhelminastraat heette alweer een jaar of zeven zo. Als jong kind groeide ik op met de Schouwburgstraat, omdat in de oorlog namen van de koninklijke familie waren geschrapt door de Duitse bezetter. Soms reed je wel drie keer per dag op die bakfiets langs. Ik vond je koddig en stoer met je houtje-touwtjejas aan en je mutsje op. Je was toen al een apart type. Ik was vijftien jaar en had wat je noemt een voorspellende blik. Ik herinner mij dat ik, nadat je weer langs was gekomen, mijn moeder vertelde dat wij zouden trouwen en een kind zouden krijgen. Mijn moeder was het gewend dat ik zulke dingen zei. Ik had vaker van die voorspellingen, soms ook over de dood. Dat vond ze eng."

"Toen ik jou voor het eerst zag, kwam je voorbijfietsen op een bakfiets waarin je spullen vervoerde. Het was laat in het jaar 1952, in de winter. Ik stond voor het raam van mijn ouderlijk huis in de Wilhelminastraat, waar mijn ouders een hotel-pension dreven, naar buiten te kijken. De Wilhelminastraat heette alweer een jaar of zeven zo. Als jong kind groeide ik op met de Schouwburgstraat, omdat in de oorlog namen van de koninklijke familie waren geschrapt door de Duitse bezetter.

Lees meer