26 september 2016

Altijd die vreemdeling

Een vluchteling die asiel krijgt, is niet alleen ontkomen aan bedreigingen in het land van herkomst. In het nieuwe land volgt, als de eerste euforie is weggeëbd, vaak een culturele clash. Ik ken een Iraakse vrouw van bijna 30 jaar, die al een aantal jaren geleden haar land ontvluchtte. Het hele gezin waarvan ze deel uitmaakt, ouders en broers en zussen, woont ondertussen in Nederland. De eerste keren dat ik met haar sprak leek ze me het model van een geslaagde inburgering. Ze spreekt goed Nederlands en werkt er hard aan een baan te vinden. Ze leek me zelfs een beetje doorgeschoten in haar aanpassingen aan het westen: ze ging zich vaker uitdagend kleden in een doorkijkjurk en verzorgde haar uiterlijk op een manier die deed vermoeden dat haar tas een breed assortiment opmaakspullen bevatte. Met haar beperkte financiële middelen had het iets van een bijeengescharrelde schoonheid – meer Kruidvat dan Ici Paris –, maar dat viel te begrijpen. Haar blijmoedigheid vergoedde veel.

Tot ze bij een nieuwe ontmoeting alle glans ineens kwijt leek te zijn. Ik wist dat ze een afspraak had gehad waar het nodige van af hing. Toen ik haar naar de uitkomst vroeg stond het huilen haar nader dan het lachen. Er kwam een cascade van ellende over haar lippen met als slotsom: ze zag het niet meer zitten in Nederland. Ze wilde terug naar Irak. In een gesprek een paar dagen later werd me meer duidelijk. Naast gemist succes op weg naar werk, vraten de ruzies met haar man, aan wie ze jaren daarvoor uitgehuwelijkt was, aan haar. Ze wilde nu echt scheiden.

Dapper als ze is, had ze een tijd geleden al geregeld dat ze zelf het beheer voerde over haar geld. Maar voor de scheiding was ze afhankelijk van de toestemming van beide families; die van haar en van haar man. Want die traditie was in Nederland onaangetast gebleven. Ineens zag ik haar uitdagende manier van kleden niet meer zozeer als een positieve aanpassing aan haar nieuwe, Nederlandse, cultuur, maar als een daad van verzet tegen haar oude. Gelukkig is in de beide families wel de vrijzinnigheid toegenomen. De scheiding zal er wel komen.

‘Maar waarom wil je terug naar Irak?’, vroeg ik. Ze hield een kort verhaal over de natuur en de schoonheid van het gebied van haar herkomst. Misschien herinnerde ze zich echter vooral een – niet uitgesproken – gevoel van geworteld zijn die ze mist, juist nu zich in haar persoonlijke leven een cultuurclash voordoet die ook de nieuwe bodem onder haar voeten wegslaat.
Misschien is het wel wat elke vluchteling met zich mee draagt. Het land waar je naar toe vlucht wil maar niet het jouwe worden en je oude land verdwijnt nooit uit je hart.

Een Iraniër, die al 20 jaar in Nederland woont, beschreef me eens hoe hij sociaal gezien intussen Nederlander is, maar in zijn hart altijd Iraniër is gebleven. Hij heeft nog steeds veel contact met familie in zijn geboorteland, maar: ‘Ik word er gezien als westerling. En hier in Nederland ben ik altijd een vreemdeling gebleven’.

 

 

 

Recent

21 maart 2017

Intrigerende zwakheden

20 maart 2017

De zee in Tilburg

Literair Nederland - 10 jaar geleden

26 maart 2007

Zonder dat hij het wist, keek ze hem telkens na als hij voorbijkwam, de winkelierster, langs de zaak, soldaat Brû. Hij liep daar heel ongedwongen, in zijn vrolijke kaki klof, met zijn haar, tenminste wat er onder de kepie van te zien was, zijn haar keurig geknipt en nagenoeg glanzend, zijn handen langs de naad van zijn broek, handen waarvan de ene, de rechter, met onregelmatige tussenpozen omhoogging om een superieur te eren of de groet van een gedemilitariseerde te beantwoorden. Niet bevroedend dat hij elke dag door een bewonderend oog werd vastgepind op de weg die hem van de kazerne naar het bureel voerde stapte soldaat Brû, die in het algemeen nergens aan dacht, maar als hij dat toch deed dan het liefst aan de slag bij Jena, stapte soldaat Brû voort met de onbevangenheid van een niet-bewuste. Met zijn niet bewust grijsblauwe ogen en zijn niet bewust elegant omwikkelde beenkappen droeg soldaat Brû heel naïef al het nodige met zich mee om in de smaak te vallen bij een jongejuffrouw die niet helemaal jong meer was en ook niet helemaal juffrouw. Het ontging hem.

Zonder dat hij het wist, keek ze hem telkens na als hij voorbijkwam, de winkelierster, langs de zaak, soldaat Brû. Hij liep daar heel ongedwongen, in zijn vrolijke kaki klof, met zijn haar, tenminste wat er onder de kepie van te zien was, zijn haar keurig geknipt en nagenoeg glanzend, zijn handen langs de naad van zijn broek, handen waarvan de ene, de rechter, met onregelmatige tussenpozen omhoogging om een superieur te eren of de groet van een gedemilitariseerde te beantwoorden.

Lees meer