9 april 2014

Op de rug gezien

Column: Inge Meijer

Het was maandagmorgen en de lente maakte veel goed, zo niet alles. Ik was op weg naar de tandarts, gedreven door kiespijn. Aan de overkant van de straat scheen uitbundig de zon en daar liep een man die maar moeizaam vooruit leek te komen. Hij droeg een grijze wollen trui en een afhangende spijkerbroek. Het schurende geluid van stugge spijkerstof dat over de ruwe stenen sleepte, bezorgde me rillingen. Ik zette mijn fiets tegen de muur en bleef staan, me voorbereidend op een ontmoeting met mijn tandarts en om de man aan de overkant op de rug gezien, na te kijken. Hoe hij daar voortging, traag en verslagen. Nu wreef hij met beide handen over zijn gelaat. Heftig, alsof er een boze droom verdreven moest worden. De man aan de overkant had vast alles en iedereen die hij liefhad verlaten. Zomaar, en omdat hij niet anders kon. Mijn tandarts kende ik nog niet. Sinds ik in het dorp, dat aan de rand van de Veluwe lag, woonde, had ik hem nog nooit bezocht. In het weekend had ik zijn stem op zijn antwoordapparaat gehoord. Een wat rochelende stem, die klonk alsof hij zijn keel moest schrapen. Hij deed zijn best het niet zover te laten komen. Hij sprak zijn boodschap, met steeds schordere stem, helemaal uit. Ik begreep dat ik niet bij hem terecht kon, of ik moest een noodgeval zijn. Maar dat was ik niet. Ik hield de kans een ‘noodgeval’ te worden op afstand door me terug te trekken in mijn werkkamer. Door in Rug aan rug van Julia Franck te lezen (dat me in een tranceachtige staat van zijn bracht), geregeld een paracetamol te slikken en meer glazen wijn dan ik gewoon was te drinken. Ik hield het wel uit. Tot maandagmorgen. Gek genoeg bracht het wrange verhaal over de twee aan zichzelf overgelaten kinderen in een uiteengeslagen land kort na de oorlog, me een bepaald soort sereniteit. Het schuren van spijkerstof over de ruwe stoeptegels, verergerde de zenuwpijn. Maar het leven van Thomas en Ella, die zonder enige bescherming opgroeiden in het communistische Oost-Berlijn eind jaren vijftig, maakte de pijn draaglijker. Was het door het besef dat het altijd nog erger kon? Als een doekje voor het bloeden, pijn gestelpt met ellende en pijn. De tandarts ging op blote voeten in klompschoenen. Of waren dit nu crocs? Op zijn neus groeide een plukje haar. Dat zag je direct, daar kon je niet omheen. Hij had een mooie neus en dat plukje misstond hem niet eens. Terwijl hij schrapend en borend met metalen werktuigen mijn kies bewerkte, dacht ik aan de man in de grijze slobbertrui die in die  stille straat in het zonlicht had gelopen. Zo je al overgevoelig kunt zijn voor elke mate van geluk, dan was deze man het wel. Dat had ik aan zijn smalle rug gezien. Toen werd ik afgeleid door het plukje haar op de neusrug van mijn tandarts.  Het leidde me op een prettige manier af van de reden waarom ik hier was.

 

Recent

24 september 2017

What's in a design

22 september 2017

Modiano's spel met de lezer

20 september 2017

In de huid van een leeuwin

19 september 2017

Nieuw leven beschreven

Literair Nederland - 10 jaar geleden

24 september 2007

Zoals hij was
Door Bernadet

Toen ik jou voor het eerst zag, kwam je voorbijfietsen op een bakfiets waarin je spullen vervoerde. Het was laat in het jaar 1952, in de winter. Ik stond voor het raam van mijn ouderlijk huis in de Wilhelminastraat, waar mijn ouders een hotel-pension dreven, naar buiten te kijken.

Lees meer