10 januari 2017

Adil uit Basra

Door Stefan Ruiters

Adil, heet hij, en komt uit Irak. Er werd op het raam geklopt en toen ik vanachter mijn pc naar buiten keek, zag ik hem staan, baseballpet op, fiets aan de hand. Hij wenkte me en toen ik de deur ontgrendelde gaf hij me een hand en zei me zijn naam. Op zachte toon vertelde hij zijn verhaal. Hij was uitgeprocedeerd en vanuit Eindhoven was hij op weg naar Ter Apel, het centrale meldpunt voor asielzoekers, waar hij een slaapplaats zocht. Een treinkaartje kostte ongeveer 25 euro, zei hij. Ik twijfelde eigenlijk geen moment, misschien één moment, maar zijn zachtaardig voorkomen en ongelooflijk goede Engels, deed me besluiten deze man te geloven. ‘I will give you the money for the train ticket,‘ zei ik. Toen hoorde ik mezelf ook nog zeggen: ‘Would you like to have a coffee?’ Dat vond hij aardig van me en besloot op mijn uitnodiging in te gaan.

Boven aangekomen, gingen we aan de eettafel zitten. Mijn vriendin Sophie maakte koffie. Ik was nieuwsgierig naar zijn verhaal en zoals altijd denk ik, als het over vluchtelingen gaat: deze mensen help je gewoon en je staat voor ze open. Dat kan ook door een luisterend oor te zijn of ze iets te geven waardoor ze weer verder kunnen, in dit geval ook echt, door naar Ter Apel. Zijn moeder en zus verblijven in Denemarken en hadden 9000 dollar betaald aan mensensmokkelaars in Aman, Jordanië, om ze naar Europa te krijgen. Hij had hun huizen verkocht in Basra waar ze vlakbij elkaar woonden en zodoende konden ze vluchten. Adil vertelde dat je niet weet naar welk land je gaat als je hebt betaald, dat bepalen de smokkelaars en het vliegveldpersoneel aldaar.

Adil landde dus op Schiphol. Hij werd opgenomen in de asielprocedure en 15 uur ondervraagd. Hij zei dat hij te aardig was geweest door eerlijk te vertellen dat hij niet levensgevaarlijk bedreigd werd maar dat hij uit voorzorg zijn familie op een veiligere plek wilde hebben. Zijn vader was daarvoor gestorven en nu moest hij als enige zoon over zijn familie waken. En door de waarheid te vertellen, kreeg hij drieënhalf jaar later geen verblijfstatus. Nu moet Adil dus binnen afzienbare tijd het land uit. Waarheen, dat weet hij nog niet, Nederland mag hem niet terugsturen naar Irak. Zijn advocaat adviseerde hem naar Roemenië te gaan. Daar maakt hij mogelijk nog kans om in een procedure te komen waardoor hij weer een paar maanden in Europa kan blijven. Uiteindelijk wil Adil terug naar Irak, over anderhalf jaar, als er nieuwe mensen aan de macht zijn waar hij meer vertrouwen in heeft. Om weer wiskundeleraar te kunnen zijn in Basra.

Toen moest hij ineens weg. De fiets terugbrengen die hij geleend had en hij was al te laat nu eigenlijk. We omhelsden elkaar en hij vroeg om een e-mailadres. Wie weet horen we wat van hem. Het liefst met goed nieuws uit Basra: ‘Adil is thuis en veilig.’

 

 

Recent

21 maart 2017

Intrigerende zwakheden

20 maart 2017

De zee in Tilburg

Literair Nederland - 10 jaar geleden

26 maart 2007

Zonder dat hij het wist, keek ze hem telkens na als hij voorbijkwam, de winkelierster, langs de zaak, soldaat Brû. Hij liep daar heel ongedwongen, in zijn vrolijke kaki klof, met zijn haar, tenminste wat er onder de kepie van te zien was, zijn haar keurig geknipt en nagenoeg glanzend, zijn handen langs de naad van zijn broek, handen waarvan de ene, de rechter, met onregelmatige tussenpozen omhoogging om een superieur te eren of de groet van een gedemilitariseerde te beantwoorden. Niet bevroedend dat hij elke dag door een bewonderend oog werd vastgepind op de weg die hem van de kazerne naar het bureel voerde stapte soldaat Brû, die in het algemeen nergens aan dacht, maar als hij dat toch deed dan het liefst aan de slag bij Jena, stapte soldaat Brû voort met de onbevangenheid van een niet-bewuste. Met zijn niet bewust grijsblauwe ogen en zijn niet bewust elegant omwikkelde beenkappen droeg soldaat Brû heel naïef al het nodige met zich mee om in de smaak te vallen bij een jongejuffrouw die niet helemaal jong meer was en ook niet helemaal juffrouw. Het ontging hem.

Zonder dat hij het wist, keek ze hem telkens na als hij voorbijkwam, de winkelierster, langs de zaak, soldaat Brû. Hij liep daar heel ongedwongen, in zijn vrolijke kaki klof, met zijn haar, tenminste wat er onder de kepie van te zien was, zijn haar keurig geknipt en nagenoeg glanzend, zijn handen langs de naad van zijn broek, handen waarvan de ene, de rechter, met onregelmatige tussenpozen omhoogging om een superieur te eren of de groet van een gedemilitariseerde te beantwoorden.

Lees meer