12 mei 2017

Ik was een hond – Thomas Möhlmann

Meester in doorwrochte metaforiek en schitterende beeldtaal

Recensie door Casper van der Veen

Poëzie is vaak een veeleer wenken en suggereren dan ronduit zeggen. Wie als lezer resoneert met de gebezigde metaforen kan zeggen dat hij een gedicht ‘begrepen’ heeft. Thomas Möhlmann (1975) toonde in eerder werk, met name het in 2009 verschenen Kranen open, de lezer te kunnen treffen met de schoonheid van zijn taalspel en vergelijkingen nog vóórdat de beeldspraak volledig is geanalyseerd en verstaan.

In zijn jongste wapenfeit Ik was een hond toont Möhlmann zich opnieuw een meester in doorwrochte metaforiek. De nieuwe dichtbundel kent nog meer kippenvelmomenten. Zoals iemand die laat de liefde vindt ‘als een akker na de oogst’ of ‘de wolkjes die je maakt als je ademt / duren te kort om iets van te maken, iets in te zien’. Of uit een beschouwing over ‘onze liefhebbende ouders’: ‘het zijn / schatten, maar wie graaft ze op’.
Schitterende beeldtaal van Möhlmann, die in zijn beschouwingen van het alledaagse, en antropologische observaties van menselijke relaties steeds weer grootse zaken in kleine details weet te ontwaren. Meer dan daarvoor lijkt de dichter een appèl te doen op een wij-gevoel in tijden van gierende individualisering.

Wat het meest opvalt aan Ik was een hond is de hoeveelheid politiek geëngageerde en maatschappijkritische gedichten. Nu was die factor al sinds zijn speelse debuut De vloeibare jongen (2005) her en der in Möhlmanns werk te vinden, maar niet eerder zo veelvuldig en onverholen als nu. Wellicht maken de zorgwekkende internationale ontwikkelingen in de ogen van de auteur de politiek-sociale stellingname een noodzaak, misschien zelfs een plicht – en niet louter een literair stijlinstrument.

Möhlmann richt zijn pijlen in deze gedichten op de westerse omgang met vluchtelingen, op klimaatontwrichtende milieuvervuiling en de dreiging van populistisch gedachtegoed. Het beste komt dit alles samen in ‘We xeroxen’, waarin met een knipoog naar het klassieke gedicht ‘Impasse’ van Martinus Nijhoff de zich superieur wanende westerling een spiegel krijgt voorgehouden:

waarover wil je, nu het brandt aan de randen
en de zee met drenkelingen raakt ingedamd

nu de barbaren weer niet aan de poort maar in ons
midden hun vlaggen hijsen, we van onze vertrouwde

doodsbenauwde buren weer meer dan van vreemde smetten
de vrezen hebben, waarover wil je schrijven, wil je dat ik

schrijf? We staren dof naar onze eigen handen, kunnen
tachtig jaar naar achteren kijken en zien de toekomst niet.

Möhlmann maakt gehakt van de hypocrisie van het belerende Westen. Dat zien we in bovenstaand gedicht, maar nog meer in het venijnige ‘Rechten’, waarin de auteur blootlegt hoe wij universele gelijkheid prediken, behalve als het aankomt op de Grieken, Afrikanen en andere volkeren die het er zogenaamd zelf naar gemaakt hebben. Om het westerse superioriteitsgevoel nog verder op de hak te nemen, toont hij de geestelijke afstomping die smartphones en social media tot gevolg hebben. Zoals in ‘Tussenstop’ haarfijn wordt geanalyseerd hoe ‘al die jonge mensen’ zich overgeven aan de druk en dwang van social media, waarvan de etiquette hen in bejaarden verandert met ‘gebroken Engels, gebrekkig geheugen / hun korte samenvattingen van familiesituaties / geruisloze instemming, vergelijkbare samenvattingen / van vergelijkbare familiesituaties, prima getimede / stiltes.’ Een feest van herkenning voor wie met enige regelmaat Facebook of Whatsapp frequenteert.

De kritieken van Möhlmann doen denken aan de tierende dichtbundel Duetten (2016) van Ilja Leonard Pfeijffer en Erik Jan Harmens, die zich hierin beiden van hun meest kwaad-geëngageerde zijde lieten zien. Daarin klinkt het, na een eloquente beschrijving van de holheid van de zich beschaafd wanende westerse consumptiemaatschappij die grossiert in ‘debiel geconsumeer’: ‘Ik snap het wel dat iemand maait met zijn geweer / Beschiet en blaas maar op die boel. Het gaat niet meer’

Naar het einde van de bundel toe verandert de toon gradueel en sluipt er meer wanhoop in de gedichten, om in openlijke nonchalance uit te monden. Hiermee toont Möhlmann de ontwikkeling van het publieke debat over bovengenoemde schrijnende kwesties door de jaren heen. Dat begon vaak strijdbaar, werd meer desperaat toen mensen door hen gewaande zekerheden zagen wegebben en mondde geregeld uit in het defaitistisch in de lucht gooien van de handen: denk aan discussies over klimaatverandering, economische crises en conflicten in verre oorden.

Maar ook Möhlmann zelf lijkt weinig hoop te hebben dat het Westen tijdig tot inzicht komt. In het gedicht ‘Alles is groei’ fulmineert hij tegen het kortetermijndenken en het de waan van de dag najagen, die het trekken van tijdloze lessen in de weg staan: ‘de ochtend is aan wie is opgestaan / de katernen en bladwijzers blijven / tussen jam en sap wachten op een beter / moment om ons in het gezicht te slaan’

Het gedicht ‘We zullen’, waarmee zowel de lange dichtreeks ‘Alle vogels die hun vleugels uitslaan’ als de bundel besluit, illustreert nog eens het na-ons-de-zondvloed-sentiment dat in westerse consumptiemaatschappijen domineert. Of, in Möhlmanns woorden:

‘Zeker, mijn liefste, ze zullen, maar wij zullen meer, ze
zullen zullen, maar met speels gemak zullen we meer

wat ze ook zullen: ze maken geen enkele kans want wij
zullen meer, we leven allemaal niet meer dan gemiddeld

tachtig jaar, zij niet en wij niet maar zie maar mijn liefste
wat wij uit die zeg veertig jaar nog kunnen peuren terwijl

zij, ach ze zullen maar en zullen, geef ze honderd jaar voor
mijn part en nog zullen ze niet meer dan wat ze zelf zullen’

Ik was een hond is Möhlmanns sterkste en meest sprekende werk tot nu toe. In deze vierde bundel heeft het esthetische taalspel van de dichter een imposant hoogtepunt bereikt, iets wat hoge verwachtingen wekt voor de opvolger. Het valt te bezien of Möhlmann daarin net zo fel zal uithalen naar een wereld die steeds meer met zichzelf in de knoei raakt. Maar laat die toekomstmuziek voor nu nog verstommen, met Ik was een hond komen poëzieliefhebbers moeiteloos de nakende zomer en de komende honderd achtuurjournalen door.

 

 

Ik was een hond
Thomas Möhlmann
Verschenen bij: Prometheus
ISBN: 9789044633139
64 pagina's
Prijs: € 17,99

Meer van Casper van der Veen:

16 juni 2017

De lezer blijft peinzend en knikkend achter

Over 'De boom valt op mij' van Ilse Starkenburg
28 maart 2017

Oeuvre van dertig jaar in een bloemlezing

Over 'Koor' van Peter Verhelst
7 november 2016

Activistische dichtkunst

Over 'Duetten' van Erik Jan Harmens Ilja Leonard Pfeijffer

Recent

21 juli 2017

Vast in het ijs

Over 'Dwars door het ijs' van Cormac James
19 juli 2017

Kijk, lees en geniet!

Over 'Wonderwezens' van Ingrid Biesheuvel, John Rabou
17 juli 2017

Terug naar vroeger

Over 'Hier kom ik weg' van Annette Maas
14 juli 2017

Het barre landschap van de menselijke geest

Over 'Beest' van Paul Kingsnorth
12 juli 2017

Het geluid van een brekend hart

Over 'Ik heet Lucy Barton' van Elizabeth Strout