29 januari 2017

Het ultieme loslaten

Door Marijn Sikken

Overlijden op de dag dat je nieuwe roman verschijnt, misschien heeft dat iets poëtisch: het eeuwige terugtrekken op het moment van de grootste verwachting, het ultieme loslaten. Ach, waar heb ik het over, mijn eerste roman komt bijna uit en dat zou ik voor geen hemel willen missen. En toch. Toen mijn oma destijds op 31 december overleed, het was 2004, troostten wij ons met wat er op de rouwkaart stond: ‘Op de laatste dag van het oude jaar begon zij aan een nieuw leven.’ Je boek loslaten, misschien is dat ook een nieuw begin. Poëzie verzacht de pijn, maar geneest hem niet. Dat mijn boek eraan komt en oma daar niet bij is, vind ik na al die jaren nog steeds eeuwig zonde.

Met de Boekenweek voor de deur is het wellicht een idee om mijn favoriete roman van Robert Anker onder de aandacht te brengen, een die mijns inziens perfect aansluit bij het komende boekenweekthema – verboden vruchten. Als tiener geloofde ik hartstochtelijk in het idee dat de ware liefde altijd verboden moest zijn, ik kon niet wachten om mezelf in een dergelijk romantisch ravijn te storten. Een van mijn lievelingsromans destijds was Hajar en Daan, een liefdessprookje tussen geschiedenisleraar Daan Hollander en zijn Marokkaanse leerling Hajar Nait Sibaha. Deze gecompliceerde liefde, dit taboe, vond ik waarachtiger dan Nabokovs Lolita – al was het maar om de doodsimpele reden dat die kleine nimf een behoorlijk vervelende meid was.

Gek genoeg kwam ik Hajar en Daan onlangs weer tegen, een dag voor Ankers overlijden begon ik er weer in te lezen. De tiener in mij had daar wellicht een boodschap in gezien, een teken, de volwassene die ik ook ben dacht vooral: ach, wat zonde. Was het slim om die roman opnieuw te lezen? Wat als het tegenviel?
Dit is hoe het begon: ‘Toen Daan Hollander, leraar geschiedenis aan het DataCare college in Amsterdam, Hajar Nait Sibaha, uit vijf vwo, voor de eerste keer neukte, hield zij haar hoofddoek om – op zijn verzoek.’ En net als toen – ik vijftien of zestien, snel verveeld, vlug boos en altijd hopeloos verliefd – vond ik het ook nu, bij herlezing, weer fantastisch. Natuurlijk, die Daan was een beetje een ei en op Hajar was ook wel een en ander aan te merken (die liefdesbrieven bijvoorbeeld, niet te verteren zo zoet), maar o, de onvermijdelijkheid van deze liefde! Opnieuw genoot ik van de beschrijvingen van het schoolleven, de vrolijke manier waarop het wezen van lesgeven werd gefileerd – god, wat moet Anker een plezier hebben gehad in het schrijven van deze roman! En hoe knap is het wanneer je dit plezier als een verfbom in het gezicht van je lezers weet te smijten, pagina na pagina.

Als sterven het ultieme loslaten is en je je boek loslaat op het moment dat het de wereld in gaat; als liefde overgave is en niets anders, dan schreef Anker destijds een van de mooiste slotzinnen die ik ooit in een roman las: ‘Overweldig me en maak me vrij.’ Hulde.

 

 

Recent

21 maart 2017

Intrigerende zwakheden

20 maart 2017

De zee in Tilburg

Literair Nederland - 10 jaar geleden

26 maart 2007

Zonder dat hij het wist, keek ze hem telkens na als hij voorbijkwam, de winkelierster, langs de zaak, soldaat Brû. Hij liep daar heel ongedwongen, in zijn vrolijke kaki klof, met zijn haar, tenminste wat er onder de kepie van te zien was, zijn haar keurig geknipt en nagenoeg glanzend, zijn handen langs de naad van zijn broek, handen waarvan de ene, de rechter, met onregelmatige tussenpozen omhoogging om een superieur te eren of de groet van een gedemilitariseerde te beantwoorden. Niet bevroedend dat hij elke dag door een bewonderend oog werd vastgepind op de weg die hem van de kazerne naar het bureel voerde stapte soldaat Brû, die in het algemeen nergens aan dacht, maar als hij dat toch deed dan het liefst aan de slag bij Jena, stapte soldaat Brû voort met de onbevangenheid van een niet-bewuste. Met zijn niet bewust grijsblauwe ogen en zijn niet bewust elegant omwikkelde beenkappen droeg soldaat Brû heel naïef al het nodige met zich mee om in de smaak te vallen bij een jongejuffrouw die niet helemaal jong meer was en ook niet helemaal juffrouw. Het ontging hem.

Zonder dat hij het wist, keek ze hem telkens na als hij voorbijkwam, de winkelierster, langs de zaak, soldaat Brû. Hij liep daar heel ongedwongen, in zijn vrolijke kaki klof, met zijn haar, tenminste wat er onder de kepie van te zien was, zijn haar keurig geknipt en nagenoeg glanzend, zijn handen langs de naad van zijn broek, handen waarvan de ene, de rechter, met onregelmatige tussenpozen omhoogging om een superieur te eren of de groet van een gedemilitariseerde te beantwoorden.

Lees meer