4 december 2016

Voorbijgangers

Door Marijn Sikken

Vanaf de eerste keer dat ik in de hoofdstad kwam – er echt voor mezelf kwam, als jonge vrouw die hier dingen te doen had in plaats van als kind mee met een uitje – wist ik: dit is waar ik moet zijn. Een vriend, globetrottend wereldburger, immer nieuwsgierig en nog ongeaard, niet-honkvast, vond het ietwat beperkt. ‘Er zijn wel meer plekken waar ik zou kunnen wonen,’ zei hij, en noemde er een paar. Uit een andere mond had dat minachtend geklonken, bij hem niet, hij is er te aardig voor.
Ergens kunnen wonen, het willen, ik zag het mezelf op weinig plekken doen, en zei wat ik altijd zeg wanneer het over de aard van het al dan niet rondtrekkende beestje gaat: ‘Ik ben geen reiziger.’
Amsterdam dus. Nadat ik me de stad routegewijs eigen maakte, niet meer via Centraal Station van Rembrandtplein naar de Reestraat fietste omdat die ingebouwde TomTom bij mij nooit met succes wilde opstarten (en dit nog net het pre-Googlemaps op je smartphonetijdperk was), begon ik dingen te herkennen. Eerst op tv. De Dam natuurlijk, het Vondelpark, the usual suspects, ik begon ineens overal het Amstelveld te zien. Later in de literatuur.
In een van zijn prachtige teksten in de verzamelbundel ‘Het volmaakte kleine stukje’ noemde Kees Fens de Witte de Withstraat. Ik, amper twintig en misschien net iets minder blue dan eerst, realiseerde me twee dingen: 1) Dat ik wist waar dat was, er zonder problemen naar toe zou kunnen fietsen, hooguit een straatje te vroeg zou afslaan. 2) Dat mijn man zo’n beetje naast de Kees Fensbrug woonde. Fens was nog nieuw voor me, zoals de stad dat eerst ook was, zoals de liefde waaraan ik moest wennen, nog nieuw was.
Alles viel op zijn plaats.

Vanmorgen, in bed nog, las ik Het jasje van Luis Martin uit. Sindsdien ben ik volkomen bedroefd tevreden. In een recensie over de nieuwe roman van Gilles van der Loo kwam de kritiek dat de lezer de echte Gijs, om wie het net zo goed gaat als om de charmante Spanjaard, nooit echt leert kennen. De verteller, Issa, doet dat ook niet, dat is nu juist het punt, de schoonheid ook, dat je elkaar kruist maar nooit kent, nooit tot op het bot – dat je, zoals Thomas Verbogt schrijft, voorbijgangers blijft. Voor dat soort inzichten lees ik, ben ik schrijvers als Verbogt en Van der Loo dankbaar.
Leert “Fred” Holly Golighthy echt kennen, of Nick Carraway Jay Gatsby? Misschien is er een verschil tussen kennen en alles van iemand weten. Naar mijn idee kende Issa Gijs wel degelijk, zoals iemand Amsterdam kent zonder alles van de stad te hoeven weten. De hoofdstad wordt in deze roman met net zoveel aandacht beschreven als al die personages waarvan ik in minder dan 250 pagina’s ben gaan houden. De wegen die Gijs en Issa fietsen, de wandelingen die Issa maakt, de horeca, ik ken het allemaal. Lezend viel ik opnieuw verliefd voor de stad. En de literatuur. Wat een dankbare combinatie.

 

 

Recent

18 januari 2017

Streng en gewichtig

17 januari 2017

Ongrijpbare gedichten

Literair Nederland - 10 jaar geleden

22 januari 2007

Uit een goed nest,Miriam Toews
Een lekker, optimistisch verhaal voor tussendoor

Knute en haar dochter Summer Feelin’ wonen in Winnipeg en alles gaat niet echt lekker. Knute begint voortdurend aan een nieuwe baan maar ze wordt steeds ontslagen. Niet omdat ze niet wil werken, niet omdat ze niet hard werkt maar het lukt gewoon niet. Summer Feelin' vindt het vreselijk op school, gaat er met moeite naar toe, ze is veel liever thuis. En dan komt er een telefoontje, of Knute terug wil komen naar haar ouderlijk huis.

Lees meer