6 september 2016

Van groot belang – Nachoem M. Wijnberg

Concrete en eigentijdse gedichten

Recensie door Albert Hogeweij

De bundel Van groot belang, al een tijdje geleden verschenen, is een in meerdere opzichten opvallende bundel van dichter en prozaschrijver Nachoem M. Wijnberg (1961). Gestoken in een kaal, wit kaft dat 256, veelal dichtbedrukte bladzijden bijeenhoudt, verraadt de buitenkant niet dat het een dichtbundel betreft. Het etiket ‘gedichten’ heeft deze dichter al enige bundels geleden afgezworen, maar zijn vijftiende bundel is op het provocatieve af ook nog eens verstoken van een flaptekst of toelichting op het omslag.

De titel wordt al met al op generlei wijze gehinderd voor zichzelf te spreken. Weinig dichters zullen zich dergelijke vrijzinnigheden durven veroorloven. Maar Wijnberg geniet een dusdanige reputatie als dichter  (o.a. VSB-prijs 2009 voor Het leven van) dat hij niet hoeft te vrezen onopgemerkt te blijven. Werd  in zijn qua omvang ook niet misselijke voorganger Nog een grap het fenomeen van de grap ontleed, zijn nieuwste gedichten kristalliseren zich rond politiek-economische vraagstukken. Niet vreemd voor een dichter die een hoogleraarspost cultureel ondernemerschap en management bekleedt. Goed beschouwd stonden veel van zijn dichterlijke motieven al in het teken van economische verhoudingen, zoals (ver)kopen, schenken, aannemen, schaarste en voorraad enz.. Maar in Van groot belang voeren de economische, politiek bestuurlijke besluitvormingen de boventoon. Ze zijn aanzet, drijfveer van veelal betogende dan wel bevragende zinnen, die meanderend over de pagina’s gaan en waar in eerste instantie alledaagsheid de lezer het zicht op poëzie kan benemen.

In al deze gedichten is sprake van een zekere ‘je’ tegen wie wordt aangepraat. De stijl leest vlot als van iemand die niet alles op alles heeft gezet om het beste uit zichzelf naar boven te halen. Aangezien de je-vorm consequent is volgehouden, is eenheid bewaakt, maar eentonigheid niet buiten de deur te houden. De bundel is dik maar daarmee niet veelstemmig. De aangesproken ‘je’ bevindt zich in een situatie (niet zelden economisch, of politiek bestuurlijk van aard) waarin hij beslissingen heeft te nemen. Het gedicht ontrolt zich vervolgens als de losgewoelde overwegingen en redeneringen van opgeworpen vragen. Het geeft zicht op de motieven tot handelen in dergelijke situaties. In het licht daarvan kan men deze gedichten zeker niet van enig belang verstoken achten.

Maar de poëzieliefhebber is allereerst gediend met typische Wijnbergconstructies als:
‘Je leest een geschiedenis van iets waarin elke gebeurtenis vergeleken
wordt met een gebeurtenis uit de geschiedenis van iets anders.’

 Of:
Je weet dat je afscheid moet nemen
van wat al bijna klaar is
met afscheid van jou nemen,’

Met zinnen die met weinig woorden een nieuw verschiet openen:
Als je de wet was of misschien vergeving zou je zeggen: je ziet zo waar ik
woon, het is het huis zonder voordeur.
Je kwam op de dag terug en zag dat de deuropening leeg was.
Eerst was je verbaasd, daarna verontwaardigd, daarna opnieuw verbaasd.’

Dat deze dichter met zijn vorige bundel Nog een grap nog lang niet al zijn humoristisch kruit had verschoten bewijst een passage als:
‘als je de God beledigt van wie veel minder macht dan jij
heeft en hij je vraagt of je die God wilde beledigen of dat je enkel bedoelde
dat wat je over zijn God gehoord hebt niet overeenkomt met de
waardigheid die zo’n God zou kunnen hebben, kun je beter die kans, die je
niet vaak krijgt, nemen en zeggen dat je dat laatste bedoelde.’

Ook zijn neiging om sommige gedichten hilarische titels mee te geven (Sigmund Freud op bezoek bij Constantinos Kaváfis, of omgekeerd, maar ze hadden tegen elkaar gezegd dat dat niet zou uitmaken), of titels die langer zijn dan het gedicht zelf, heeft hij niet opgegeven.

Wat deze bundel anders maakt dan zijn voorgangers, is dat de gedichten concreter, eigentijdser zijn gestoffeerd. In weerwil van enige uitstapjes naar het verleden waarin onder andere Marx, Keynes,  en Kaváfis worden geciteerd, bieden deze gedichten genoeg aansluiting bij de eigentijdse problematiek. Uitgekleed van poëtisch taalgebruik en beeldspraak leggen de zinnen een alledaagsheid bloot die haar weerga niet kent:  ‘Je grootvader was een keer in zijn leven uitgenodigd om te lunchen met een directeur van wat toen de Amsterdamsche Bank was, later de AMRO, en nog later de ABN AMRO’.

Men stuit ook op veel stukken die in een leerboek niet zouden misstaan: ‘Kapitalisme in de zin van dat de toe-eigening van arbeidsvoorwaarde door / de eigenaren van de productiemiddelen de belangrijkste bron van / investeringen is, ontstaat pas als en doordat er voldoende duurzame en / kostbare productiemiddelen zijn om in te investeren. / Vóór de negentiende eeuw zijn de meeste duurzame goederen geen / productiemiddelen en de meeste investeringen zijn om te handelen‘ enz. Wijnberg mag zich dan als eigenzinnig dichter manifesteren, de eigenzinnige poëzielezer heeft het recht zich af te vragen wat hij met zulke zinnen aan moet. Wijnberg komt de lezer tegemoet door hier en daar een Envoi in te lassen, maar men ontkomt niet aan de indruk dat de professor in deze bundel een thuiswedstrijd speelt.

Van groot belang lijkt vooral een demonstratie van de verkennende rol van taal in ons begrip van werkelijkheid. Keer een vraag binnenste buiten en kijk welk soort logica komt bovendrijven, zoals in de laatste twee strofen van Worauf man in Europa stolz ist:
Een grote overwinning,
omdat bijna niemand die verwacht had,
en wie die wél verwacht had,
heeft die ook een prijs
gekregen?

 En als hij gehoopt had
dat wat hij verwacht had
niet zou gebeuren,
krijgt hij dan nog
een dag?’

Dit soort creatieve denkbewegingen strookt met de verwachtingen die men heeft van moderne poëzie en zeker die van Wijnberg die altijd al excelleerde in omkeringen en het blootleggen van de achterkant van logica. De oplossingen evolueren tot relativeringen van het probleem. Zijn gedichten tonen dat als men zijn verbeelding inzet in plaats van zijn logische denkwijze, de vraagstelling in een heel ander licht komt te staan, maar daarmee niet minder geldig wordt.

Voor wie echter meent dat in poëzie de in zee geplengde druppel wijn door de zee moet worden gezuiverd in plaats van door diezelfde zee te worden verwaterd, is deze bundel te overwoekerend. Na verloop van tijd begint het oeverloze tegen te staan. Wijnberg lijkt dan op de cruisecontrol zijn gedachten alle kanten op te drijven met de ingesleten routine van het tegen elkaar uitspelen en omdraaien van tegengestelde begrippen in de mogelijke veronderstelling tussendoor genoeg poëzie te morsen. Resultaat komt dan uit op iets wat beneden zijn gemiddelde poëtische niveau ligt:

‘Een voorraad van iets hebben maakt het je mogelijk later iets te / beslissen omdat er iets gebeurd is en daarom wil je voorraden hebben voor / de belangrijkste gebeurtenissen waarvan je denkt dat ze mogelijk zijn. // Zo heeft elke gebeurtenis haar voorraad en omgekeerd, en kun je kiezen / met welk van de twee je wilt beginnen.’ 

Overvloed werkt als een omgekeerde verrekijker: het haalt de gemorste schoonheid niet op, maar maakt die nietiger. Om bij een prachtige, ontroerende strofe als: ‘Is het goed als niemand/meer over je weet dan je jezelf/kunt herinneren?’ te komen moet men veel minder fraais voor lief nemen. Wijnberg heeft ooit gezegd van ieder gedicht wel tien versies te schrijven voor hij ze de wereld inzond. Het valt inmiddels moeilijk te geloven dat hij deze werkwijze nog steeds trouw is. Of wil deze poëzie toonbeeld zijn van wat hij zelf in Van groot belang poneert: ‘Maar het is een misverstand dat een gedicht van alle teksten het meest / voltooid is, het is juist wat het sterkst vraagt om beter te worden.’

 

 

Van groot belang
Nachoem M. Wijnberg
Verschenen bij: Atlas Contact
ISBN: 9789025446475
256 pagina's
Prijs: € 34,99

Meer van Albert Hogeweij:

15 december 2016

Twaalf lofliederen op lichamelijke schoonheid

Over 'Poèmes secrets / Geheime gedichten' van Guillaume Apollinaire
9 december 2016

Romantiek en bikkelharde realiteit in prozagedichten

Over 'Daedalea - Een vertelling in gedichten en prozagedichten' van Tomas Lieske
24 december 2015

Troostrijke literatuur

Over ' Wat hebben de recensenten van Literair Nederland het afgelopen jaar gelezen, en wat raden ze aan?' van

Recent

19 januari 2017

Lawaaidichter en lawaaimakers

Over 'Radeloos en betoverd' van Pat Donnez
18 januari 2017

Streng en gewichtig

Over 'We hadden liefde, we hadden wapens' van Christine Otten
17 januari 2017

Ongrijpbare gedichten

Over 'Bladgrond' van Roland Jooris
16 januari 2017

Sprookjes hebben geen woorden nodig

Over 'Sprookjes van Grimm zonder woorden' van Frank Flöthmann
12 januari 2017

Een blik in de spiegel

Verwant

6 september 2016

Ontroerende bundel met gewaagde titel

Over 'Nog een grap' van Nachoem M. Wijnberg