17 april 2016

Drie bundels van dichter Erik Menkveld (1959 – 2014)

Menno Hartman

Mooie zintuigen voor ‘de dingen die misschien wel het gedicht zijn’

Vanaf een binnenplaats gestaard te hebben
naar de oude sterren
op een donkere bank gestaard te hebben
naar de uitgestrooide lichten,
die mijn onwetendheid niet kon benoemen
of ordenen tot sterrenbeelden,
verwijld te hebben bij de watercirkel
in de geheime regenput,
het geuren van jasmijn en kamperfoelie,
de stilte van de vogel in zijn slaap,
de boog van het portaal, de vochtigheid
– die dingen zijn misschien wel het gedicht.

J.L. Borges, vertaling Barber van de Pol en  Maarten Steenmeijer.
Bij de dood van een dichter kantelt zijn oeuvre. De drie bundels die Erik Menkveld (1959-2014) publiceerde zijn nu de enige drie bundels geworden. En bij het herlezen van die poëzie kantelt de lezer mee, want veel gedichten krijgen een geheel andere portée wanneer de dichter dood is. En dan niet alleen de meer voor de handliggende gevallen van ‘pijnlijke’ gedichten die refereren aan het midden-in-het-leven staan (gedichten voor kinderen bijvoorbeeld) en die dus altijd wel bitter zijn geworden, maar ook gedichten die in het licht komen te staan van een zekere manier van kijken die nu typisch is geworden voor deze dichter.

Menkveld ontwikkelde zich in zijn oeuvre ruwweg van een lichte ‘inlevende’ dichter à la  Szymborska in De karpersimulator, tot een waarnemende en verzamelende à la Borges in Prime Time. Menkveld heeft een opmerkelijke hoeveelheid perspectieven beproefd –  misschien wel de meeste in het Nederlands taalgebied –  hij schreef niet slechts over een ‘popelend boontje’,  of  was ‘geeuwend uit eeuwige leeuwheid’, of bezag de wereld vanachter de net neergeslagen ogen van een stenen meisje van de beeldhouwer Hildo Krop:

Mij en heel de roekeloos
veranderlijk bestaande stad die mij omgeeft

brengt zij tot stand vanuit dat veel te hoge hoofd;
hier fiets ik, onverklaarbaar volledig aanwezig

op een brug in Amsterdam-Zuid – vreemde inval
van een stenen meisje, dat even haar ogen sluit.

Tot zelfs het perspectief van het raamkozijn:

Nu we de kozijnen zijn
in deze keuken, kijken
ze wel naar de leuke
overbuurvrouw op haar
balkon of een bescheiden
lijnvlucht die overkomt,
maar niet naar ons
die alles omlijsten.

Menkveld wel. Zowel dit mild schertsend geportretteerde misnoegde kozijn als de stenen gedachten van een meisje in welke hij zelf figureert tekenen Menkvelds buitengemene behoefte zijn eigen bewustzijn te verbreden.

Iemand schreef naar Menkvelds uitgever een ‘asymmetrische vriendschap’ te zijn gaan voelen na het lezen van zijn boeken, asymmetrisch omdat de vriendschap van een lezer voor een schrijver van éen kant komt, vriendschap omdat het lezen van sommige schrijvers juist dat met je doet: dat je vrienden met de schrijver zou willen worden. Diezelfde asymmetrie heeft Menkveld in zijn ‘incorporaties’ – want dat zijn het, hij verdwijnt in het lichaam van andere dieren, objecten, kunstwerken, bezielt ze. Hij vergroot zijn eigen wereld door zowel kozijn als gebeeldhouwd meisje te kunnen zijn. En daar zit dan misschien toch wat melancholie, een diepe spijt op te moeten houden waar je ophoudt.

schapenOf zoals het energiek luidt in het motto van de tweede bundel Schapen nu!: ‘Groots is de Schepper! Wat gaat hij nu van je maken? Waar gaat hij je nu heensturen? Zal hij je misschien tot de lever van een muis maken? Of tot de poot van een insect?’ Het is een citaat uit een taoïstisch geschrift, en inderdaad zal de schepper van Menkvelds bundel je als adem door de longen van een schaap doen gaan. Menkveld is soms redelijk Tao.

Dat heeft me altijd dwarsgezeten: elk dier
dat men ziet is een fractie van mij.

Van deze kunstige dier- en ding bezieling dus, beweegt het werk van Menkveld zich naar het verzamelen van sensaties met een steeds grotere precisie. Een poging zelf middelpunt van alles te worden, een aleph, in Borgesiaanse termen, de plek waar alles samenkomt. Menkveld ontwikkelde zich van een goedgeluimd ‘ bezieler van alles’ naar een dichter die wat hij ziet, leest, proeft, hoort, denkt,  binnenhaalt, is, en welgeformuleerd doorgeeft.

In het zelfportret ‘Mooie zintuigen’  kijkt de dichter in de ruit van een trein en ziet sardonisch

Doppen niet al te benepen,
gok niet te gek, geen fietsenrek

maar verderop, directer

mooie zintuigen moet ik zeggen,
al heb ik ze liever ongemerkt
van binnenuit in gebruik

We zien de dichter even naar zichzelf kijken. Menkveld is vaak evenwichtig en monter – een uitgesproken melancholiek gedicht steekt er als opvallend uit – en in dit prachtig gecomponeerd en muzikale gedicht wervelt de dichter naar een scherpe apotheose. Hij ziet een medereiziger in de spiegeling en

Moet je mij onverstoorbaar
zien blijven: ongerept bedachtzaam
medereiziger, zich duidelijk
niet bewust hoe smeulende
overbuurvrouw terloops
zijn weerspiegeling beschouwt
vanuit het dansfeest op haar hoofd.
Niet éen keer lijk ik uit mijn
ogenschijnlijk kijken naar het
dwars door haar lawaaiig staren
en mijzelf heen razend grazen
varen bouwen op te kijken.

Een schitterende zin die Menkveld ten voeten uit is: relativerend, precies, verrassend, tot denken aanzettend, je verplaatsend. Erik Menkveld was een culturele veelvraat, wereldpoëzie, film, beeldende kunst, klassieke muziek, in alle gedaanten, de klassieken, culinaria,  jazz, religie, filosofie verpakt hij in dit oeuvre op een laconieke wijze en op zo’n manier dat het glanst. Ook wel dat het swingt, of statig danst. Of uitschiet, maar fraai, omdat het langste Menkvelddichtwoord appelrodewingerdrankomrande er in moest. Of een oplawaaiverzekerend komaaropkind. Menkveld kon goed schapen bezielen en zich inleven in zijdehandelaren, maar het mooiste aan Menkveld bleken zijn zintuigen. Veel van wat zij onbekommerd waarnamen is er nog.

 

Dit stuk is eerder verschenen in Poëzietijdschrift Awater (2014).

Erik Menkveld publiceerde de bundels, De karpersimulator (1997), Schapen nu! (2001) en Prime Time (2005). In januari 2016 verscheen Verzamelde gedichten bij uitgeverij Van Oorschot.

 

 

Recent

Literair Nederland - 10 jaar geleden

28 mei 2007

´Het eerste bezoek was een klucht. Niet zomaar banaal lachen en dijen kletsen. Nee, het was, hoe meer ik erover nadenk, de verfijnde onderbroekenlol van een oude professor die te midden van kunst en antiek plotseling tegen me zei: ´Laat uw broek maar even zakken.´´

´Het eerste bezoek was een klucht. Niet zomaar banaal lachen en dijen kletsen. Nee, het was, hoe meer ik erover nadenk, de verfijnde onderbroekenlol van een oude professor die te midden van kunst en antiek plotseling tegen me zei: ´Laat uw broek maar even zakken.´´

Wie had ooit gedacht dat deze aanlokkende openingsalinea door ons eigen Peter Brusse werd opgeschreven? Brusse, bij het grote publiek voornamelijk bekend als voormalig buitenlands correspondent voor de Volkskrant en het NOS Journaal in Londen maakt met het vlindernet zijn debuut als romanschrijver.

Lees meer