De tuinkamer,Lilian Blom

De schrijver Louis Ferron overleed in 2005 na een langdurig ziekbed. Hij droeg zijn echtgenote Lilian Blom op een boek over hem te schrijven. Lilian Blom is docente Engelse literatuur en schreef columns in de Volkskrant. Dat dit haar eerste boek zou worden, met deze thematiek, had niemand verwacht, zijzelf het allerminst.

Na het verschijnen van I.M van Connie Palmen over de werdegang van Ischa Meijer werd het wat stil rond de rouwliteratuur. Palmen vond dat ‘echte rouwliteratuur rauw moest zijn’ en dat geldt in veel mindere mate voor het boek van Lilian Blom.

Blom ontmoette de schrijver in een café en we zullen in het verdere relaas merken dat hij daar veelvuldig vertoefde; hij was behoorlijk aan de drank. Aanvankelijk was zij er nog niet zo van overtuigd dat ze met de fragiele, wat brallerige schrijver in zee moest gaan. Tussen haar kinderen, uit eerdere verbintenis, en Ferron boterde het ook maar matig en er was een probleem dat Ferron koketteerde met zijn vermeende Duitse afkomst en dat Lilian van joodse afkomst was. Hij toont haar een verzameling parafernalia uit de oorlogen, helmen, onderscheidingstekens en zij walgt ervan. Niettemin weet hij haar hart te stelen met muziek, humor en vooral met zijn onverwachte bokkensprongen. Want burgerlijk is het nieuwe paar allerminst. Ze maken reizen, vrijen en drinken en alles lijkt koek en ei op de driftuitbarstingen van Blom na.

Intussen vernemen we ook dat Ferron kanker heeft en hij ligt in de tuinkamer van het huis aan een morfinepomp. De ondergang wordt ingeluid. Via flashbacks komen we veel te weten over het ontstaan van de relatie, de drankgelagen en het schrijversschap van Ferron en de humor, toewijding en relativistische tegentonen van Blom. Ook zijn er regelmatig mooie fragmenten uit gedichten en proza van Ferron achteloos door de tekst gedrapeerd.

Blom zet Louis op zijn plaats, ook wanneer hij met een andere dame naar bed is geweest, terwijl ze elkaar net kennen. Blom betreedt nietsvermoedend het huis van de schrijver, waarvan ze inmiddels de sleutels heeft gekregen en ze ziet vrouwenkleren op de grond, cowboylaarsjes en een damestasje. Geruisloos verlaat ze het pand om vervolgens in het café een whisky te bestellen.

(…)“Is dat niet een beetje vroeg? vroeg de barkeeper, wijzend naar de whisky. ‘Normaal gesproken wel, maar dit is een noodgeval en geef me nu even de telefoon.’ antwoordde ik vinnig.”(…)

Ze sommeert de schrijver vervolgens om de vrouw van de cowboylaarzen binnen zeven minuten de deur uit te werken en dat zij anders nooit meer komt en de schrijver gehoorzaamt, in het meeluisterende café wordt geapplaudisseerd. Zo moet je Ferron aanpakken, kennelijk.

Het vreemde is dat ik gaandeweg steeds meer sympathie kreeg voor Blom, die niet alleen de ondergang van de schrijver liefdevol begeleidt, maar zijn hele wezen weer wat opkrikt. Ferron intussen blijft de gemankeerde alcoholistische schrijver, die de raadselen rond zijn afkomst wil oplossen en daartoe uiteindelijk in Duitsland terecht komt. Hij houdt van Strauss, walsen vooral, zij heeft daar een hekel aan. Hij zuipt zich klem in cafés, zij heeft discipline in haar werk als docente. Hij doet sentimenteel over de kinderen en kleinkinderen, zij voedt ze op en zo kunnen we nog een stief kwartiertje doorgaan. Maar wat ook overeind blijft is zijn liefde voor haar en manier waarop hij uiteindelijk over de drempel van de dood gaat. De schrijver Jan Siebelink, vriend van de schrijver, ondergaat die dood huilend en met pathos. Verder zijn er geen sentimentele uitglijders in het boek. Het blijft dus het waardige afscheid van een groot schrijver en zwak mens en zijn geestige vrouw met het hart op de goede plaats. Raadselachtig is dat Ferron in zijn laatste roman zijn eigen dood min of meer voorspelde. Uiteindelijk sterft Ferron, onvermijdelijk na zoveel ellende en pijn op zijn doodsbed in de tuinkamer, de tuinkamer waar hij zich ook moest terugtrekken na een avond drank.

Lilian Blom besluit na de dood van Ferron met mooie zinnen haar relaas:

(..)“Onthoud goed, waar je ook rondhangt, in de kroeg van de Belg of in het atelier van je vader, dat ik heel veel van je geleerd heb, veel met je heb gelachen, genoot, gedeeld, veel op je heb gemopperd, maar bovenal, intens veel van je houd.”(..)

Wie het allerlaatste interview met Ferron – op zijn doodsbed – met Jeroen Vullings van Vrij Nederland er naast legt heeft een prachtig beeld van de man achter het werk.

Karel Wasch

De Tuinkamer, Lilian Blom, De Bezige Bij, ISBN 978 90 234 2532 8.

Recent

24 september 2018

Individuen in de branding van de geschiedenis

Over 'De wintertuin' van Jan Konst
21 september 2018

Schrijven met de veer van de arend

Over 'De onzorgvuldig geketende Prometheus' van André Gide
20 september 2018

Alleen of samen, in- of exclusief?

Over 'Vrouwen en macht' van Mary Beard
19 september 2018

Omdenken in optima forma

Over 'De olifant van de bovenbuurman' van Rijswijk, van, Roos
18 september 2018

Taal die bezinken moet en verwondering oproept

Over 'Laat de stilte' van Rui Cóias