8 januari 2006

De brute bruiloft, Y. Queffelec

Marjo

Nicole gaat uitgebreid in bad en tut zich op, met de spullen van haar moeder. Ze lijkt wel een achttienjarige vrouw van de wereld in plaats van
een verlegen pubermeisje van dertien. Ze gaat uit, met een Amerikaan, en ze is zo verliefd..
Maar het avondje uit wordt een drama. De Amerikaan heeft heel andere plannen.
En met het gevolg daarvan blijft Nicole zitten als de man al lang en breed weer weg is, naar zijn vrouw in Amerika.

‘ Hij moet kapot,’ raasde de moeder, ‘hij moet kapot. Onze-Lieve-Heer laat zoiets niet gebeuren. Dat wij het mikpunt van de streek zijn. Dat het brood dat ik dagelijks bekruisig, met zonde besmeurd brood is. Met de zonde van
mijn dochter. ”

Ze noemen hem Ludovic, en verstoppen hem op zolder. Het gebeurt in Frankrijk, op het platteland, net na de oorlog, een tijd van bekrompen ideeën, vooroordelen en veroordelen. De jongen groeit op zonder liefde, zijn moeder wil zijn moeder niet zijn, zijn grootouders willen hem niet zien, hij is veroordeeld tot de donkere vochtige zolder, met alleen een dakraam en een uitzicht over de zee. Als je nooit een vriendelijk woord hoort, als men alleen maar zegt dat je gek bent, dat je een klap van de molen hebt gehad, dat je een misbaksel bent..hoe kun je dan opgroeien tot een normale jongen? Dat gebeurt dus ook niet. Ludo weet wel dat hij niet gek is, maar is niet in staat weerwoord te bieden, hij heeft dat niet geleerd. Als hij eenmaal naar school gaat laten ze hem ook daar aan zijn lot over, niemand grijpt in. Als zijn moeder trouwt, is zijn stiefvader volkomen bereid het beste voor zijn stiefzoon te doen, maar hij kan niet tegen Nicole op. Ludo blijft het pispaaltje, vooral van stiefbroer Tatav, die het leuk vindt dieren en mensen te kwellen. Ludo beseft dat niet eens, zo eenzaam is hij altijd geweest dat iedere vorm van contact hem welkom is. Hij blijft wanhopig verlangen naar liefde van zijn moeder, naar een goed woordje van haar. Hij doet enorm zijn best, en zij verstoot hem keer op keer. Tot de laatste keer..

“De volgende keer stond hij vroeg op, trok zijn zondagse kleren aan en ging naar beneden om het ontbijt klaar ter maken. De bediening was altijd volmaakt. De geometrie van het couvert, het met boter belakte brood en zelfs de evenwichtige opstapeling van de suikerklontjes op het schoteltje bewezen een maniakale zorg.”

Queffélec heeft met dit boek in 1985 de Gran Prix de Goncourt gewonnen. Hij geeft een prachtige psychologische schets van de jongen, met bijna poëtische taal. Prachtig, maar schokkend.

 

 

 

 

 

Meer van :

17 augustus 2017

Gedichten die op afstand blijven maar ook weten te ontroeren

Over 'De wereld onleesbaar' van Jeroen van Kan
11 augustus 2017

Zorgenkind of zondagskind

Over 'Herinneringen in aluminiumfolie' van Jamal Ouariachi
9 augustus 2017

Wachten op Godot aan de Moldau

Over 'Een afgedane zaak' van Patrik Ouredník

Recent

7 augustus 2017

Een kanjer

Over 'De tandeloze tijd 6 : Kwaadschiks' van A.F.Th. van der Heijden
4 augustus 2017

Wondranden

Over 'Een tuin in de winter' van Anna Enquist
2 augustus 2017

Jannie Regnerus gebruikt geen woord te veel

Over 'Nachtschrijver' van Jannie Regnerus
31 juli 2017

Het gitzwarte leven

Over 'Noordwaarts' van Naomi Rebekka Boekwijt
28 juli 2017

Het lot van een niet-joodse jood

Over 'Buster Kafka' van Martin Schouten

Verwant