28 februari 2005

Paradijs verloren, Cees Nooteboom

Karl Marx predikte dat de mens niet afhankelijk was van God en het door Hem beloofde hiernamaals, om van zijn aardse ellende verlost te worden. In het arbeidersparadijs van Marx zou iedereen die hard werkte, nog in dit leven gelukkig worden. Want de arbeid was ieders onvervreemdbaar eigendom, en het product van zijn arbeid dus ook. De mens had de sleutel tot het paradijs zelf in de hand. Maar de literair criticus Walter Benjamin, overigens een overtuigd marxist, geloofde in het ene noch het andere paradijs. Hij had daar een heel andere opvatting over. Volgens hem wacht het paradijs ons niet hier op aarde, of pas na onze dood, maar gaat het aan ons leven vooraf. Adam en Eva leefden immers aanvankelijk in het paradijs en zijn eruit verdreven nadat ze hadden gegeten van de vrucht van goed en kwaad.Dat is het menselijk drama: we zijn uit het paradijs gejaagd en kunnen er nooit meer terugkomen omdat we kwaad op kwaad, oorlog op oorlog stapelen. We verwoesten onze eigen levens en dat van anderen en verspelen door de wrakstukken die zich opstapelen steeds meer onze kansen om ooit nog in het paradijs terug te keren. Er is eigenlijk allang geen weg meer terug. Er waait een harde storm uit het paradijs, waar wij niet tegenop kunnen tornen.Nooteboom heeft als motto van Paradijs verloren een fragment uit de Notes on history van Walter Benjamin gekozen waarin dit drama het duidelijkst naar voren komt. En waar het zich nota bene voltrekt aan de engel die de mens naar de uitgang van het paradijs heeft geleid. Dit fragment vormt de leidraad voor zijn nieuwe roman. Al in de grote roman Allerzielen hield Nooteboom zich bezig met Benjamins wrakstukken van de geschiedenis, en liet hij de hoofdfiguur steeds op restanten van en herinneringen aan verschillende historische cultuurlagen stuiten. In Paradijs verloren doet hij dat nog eens over; nu niet in de diepte, maar in de breedte. Wat voor de geschiedenis van de westerse cultuur geldt, geldt natuurlijk ook voor alle andere culturen op deze aardbol. Of het nu de indianen of de aboriginals zijn, Nederlandse literatuurcritici met een hekel aan Hollandse bestsellers, of Braziliaanse studentjes met Duitse namen die zijn afgestudeerd op engelen bij Botticelli, men is ontstaan uit zijn verleden en zit daar met duizend draden aan vast. Nootebooms personages zijn vervuld van heimwee, heimwee naar hun verloren paradijs. Wat dat ook mag zijn geweest. Sommigen gaan ernaar op zoek, anderen vangen er zomaar een glimp van op, worden onverhoeds ergens door aangeraakt. Een schilderij, een ontmoeting, een gebeurtenis. Zo is Paradijs verloren een boek over mensen op weg, zichzelf kwijtgeraakt in de levens die ze leiden. Op de vlucht voor iets, op zoek naar iets. Het is een raamvertelling van een oude man en een jongere vrouw op reis, onbekenden voor elkaar. Ze stappen het boek uit dat de vrouw bij zich heeft, maar niet leest. En omdat de man niet kan zien welk boek het is, schrijft hij zelf maar een verhaal. Over een meisje dat haar schaduw terugvindt bij de aboriginals, en een man die dat meisje drie jaar later terugziet in een kuuroord in Oostenrijk. Waarna de vrouw naar aanleiding van het boek dat ze bij zich heeft, en waarvan we nu de titel horen, de laatste zin bedenkt. Ondanks de veelbetekenende citaten uit Het Verloren Paradijs van Milton leest Paradijs verloren als een terloops verzonnen vervolgverhaaltje dat is opgebouwd uit wat losse fragmenten. Een niemendalletje om je in het vliegtuig van Frankfurt naar Berlijn-Tempelhof of in de trein van Berlijn naar Moskou mee te amuseren. Dat je om de paar bladzijden weg kunt leggen. Maar het gaat om de zoektocht naar de bron, dat wat ons verbindt met het bestaan, de aarde, de schoonheid, de schepping, het paradijs dat wij verloren hebben. De verhaaltjes die ogenschijnlijk willekeurig bij elkaar zijn geharkt, hebben dat met elkaar gemeen. Let op de beelden, de zinnen, de tekst. Daar zit het verbindende element. De roerloze wolken waar het vliegtuig boven hangt zijn de besneeuwde bergen waarop engelen skiën, alleen nu even niet. De sneeuw in het Oostenrijkse kuuroord heet met een metafoor van Huygens ‘wit roet, gehakte veren’. Voortdurend sneeuwt het er gehakte veren, wat betekent dat er engelen vallen. De vlinderlichte, altijd in het wit geklede masseuse van het kuuroord krijgt een ongeluk bij het bergklimmen. Weer een vallende engel. De engelen van het kunstproject in Australië krijgen vleugels omgebonden van echte vogelveren, maar bevinden zich op vieze, verlaten plekken in de stad. Ze zijn backpackers zonder werkvergunning, gevallen engelen die over de aarde zwerven en zich niet aan maatschappelijke regels  houden.De tegenstelling tussen zwaartekracht en gewichtloosheid, tijd en eeuwigheid, heden en verleden, zwarte en witte wolken, droom en werkelijkheid, zijn de verhaalelementen waar het hier over gaat. Tijd is een uitvinding van mensen, een factor die ons in onze sterfelijkheid gevangen houdt. Een factor in productieprocessen. Alleen op reis en in de slaap wordt tijd even opgeheven, wordt men tijdloos en kan men in contact komen met zijn eigen wezen en met het collectief onderbewustzijn. Lezen de twee reizigers over zichzelf, over elkaar? Over u en mij? Wie het weet mag het zeggen.

Karl Marx predikte dat de mens niet afhankelijk was van God en het door Hem beloofde hiernamaals, om van zijn aardse ellende verlost te worden. In het arbeidersparadijs van Marx zou iedereen die hard werkte, nog in dit leven gelukkig worden. Want de arbeid was ieders onvervreemdbaar eigendom, en het product van zijn arbeid dus ook. De mens had de sleutel tot het paradijs zelf in de hand.
Maar de literair criticus Walter Benjamin, overigens een overtuigd marxist, geloofde in het ene noch het andere paradijs. Hij had daar een heel andere opvatting over. Volgens hem wacht het paradijs ons niet hier op aarde, of pas na onze dood, maar gaat het aan ons leven vooraf. Adam en Eva leefden immers aanvankelijk in het paradijs en zijn eruit verdreven nadat ze hadden gegeten van de vrucht van goed en kwaad.
Dat is het menselijk drama: we zijn uit het paradijs gejaagd en kunnen er nooit meer terugkomen omdat we kwaad op kwaad, oorlog op oorlog stapelen. We verwoesten onze eigen levens en dat van anderen en verspelen door de wrakstukken die zich opstapelen steeds meer onze kansen om ooit nog in het paradijs terug te keren. Er is eigenlijk allang geen weg meer terug. Er waait een harde storm uit het paradijs, waar wij niet tegenop kunnen tornen.
Nooteboom heeft als motto van Paradijs verloren een fragment uit de Notes on history van Walter Benjamin gekozen waarin dit drama het duidelijkst naar voren komt. En waar het zich nota bene voltrekt aan de engel die de mens naar de uitgang van het paradijs heeft geleid. Dit fragment vormt de leidraad voor zijn nieuwe roman.
Al in de grote roman Allerzielen hield Nooteboom zich bezig met Benjamins wrakstukken van de geschiedenis, en liet hij de hoofdfiguur steeds op restanten van en herinneringen aan verschillende historische cultuurlagen stuiten. In Paradijs verloren doet hij dat nog eens over; nu niet in de diepte, maar in de breedte. Wat voor de geschiedenis van de westerse cultuur geldt, geldt natuurlijk ook voor alle andere culturen op deze aardbol. Of het nu de indianen of de aboriginals zijn, Nederlandse literatuurcritici met een hekel aan Hollandse bestsellers, of Braziliaanse studentjes met Duitse namen die zijn afgestudeerd op engelen bij Botticelli, men is ontstaan uit zijn verleden en zit daar met duizend draden aan vast.
Nootebooms personages zijn vervuld van heimwee, heimwee naar hun verloren paradijs. Wat dat ook mag zijn geweest. Sommigen gaan ernaar op zoek, anderen vangen er zomaar een glimp van op, worden onverhoeds ergens door aangeraakt. Een schilderij, een ontmoeting, een gebeurtenis.
Zo is Paradijs verloren een boek over mensen op weg, zichzelf kwijtgeraakt in de levens die ze leiden. Op de vlucht voor iets, op zoek naar iets. Het is een raamvertelling van een oude man en een jongere vrouw op reis, onbekenden voor elkaar. Ze stappen het boek uit dat de vrouw bij zich heeft, maar niet leest. En omdat de man niet kan zien welk boek het is, schrijft hij zelf maar een verhaal. Over een meisje dat haar schaduw terugvindt bij de aboriginals, en een man die dat meisje drie jaar later terugziet in een kuuroord in Oostenrijk. Waarna de vrouw naar aanleiding van het boek dat ze bij zich heeft, en waarvan we nu de titel horen, de laatste zin bedenkt.
Ondanks de veelbetekenende citaten uit Het Verloren Paradijs van Milton leest Paradijs verloren als een terloops verzonnen vervolgverhaaltje dat is opgebouwd uit wat losse fragmenten. Een niemendalletje om je in het vliegtuig van Frankfurt naar Berlijn-Tempelhof of in de trein van Berlijn naar Moskou mee te amuseren. Dat je om de paar bladzijden weg kunt leggen. Maar het gaat om de zoektocht naar de bron, dat wat ons verbindt met het bestaan, de aarde, de schoonheid, de schepping, het paradijs dat wij verloren hebben.
De verhaaltjes die ogenschijnlijk willekeurig bij elkaar zijn geharkt, hebben dat met elkaar gemeen. Let op de beelden, de zinnen, de tekst. Daar zit het verbindende element. De roerloze wolken waar het vliegtuig boven hangt zijn de besneeuwde bergen waarop engelen skiën, alleen nu even niet. De sneeuw in het Oostenrijkse kuuroord heet met een metafoor van Huygens 'wit roet, gehakte veren'. Voortdurend sneeuwt het er gehakte veren, wat betekent dat er engelen vallen. De vlinderlichte, altijd in het wit geklede masseuse van het kuuroord krijgt een ongeluk bij het bergklimmen. Weer een vallende engel. De engelen van het kunstproject in Australië krijgen vleugels omgebonden van echte vogelveren, maar bevinden zich op vieze, verlaten plekken in de stad. Ze zijn backpackers zonder werkvergunning, gevallen engelen die over de aarde zwerven en zich niet aan maatschappelijke regels  houden.
De tegenstelling tussen zwaartekracht en gewichtloosheid, tijd en eeuwigheid, heden en verleden, zwarte en witte wolken, droom en werkelijkheid, zijn de verhaalelementen waar het hier over gaat. Tijd is een uitvinding van mensen, een factor die ons in onze sterfelijkheid gevangen houdt. Een factor in productieprocessen. Alleen op reis en in de slaap wordt tijd even opgeheven, wordt men tijdloos en kan men in contact komen met zijn eigen wezen en met het collectief onderbewustzijn.
Lezen de twee reizigers over zichzelf, over elkaar? Over u en mij? Wie het weet mag het zeggen.

Margriet de Konig Gans

Paradijs verloren, Cees Nooteboom
ISBN: 9789045005096

Meer van :

22 augustus 2017

Variabele verhalen in prettige stijl geschreven

Over 'Astronaut' van Pieter Kranenborg
17 augustus 2017

Vergeefse strijd heeft een mooie bundel opgeleverd

Over 'De wereld onleesbaar' van Jeroen van Kan

Recent

16 augustus 2017

Ideale bestaansvorm

11 augustus 2017

Zorgenkind of zondagskind

Over 'Herinneringen in aluminiumfolie' van Jamal Ouariachi
9 augustus 2017

Wachten op Godot aan de Moldau

Over 'Een afgedane zaak' van Patrik Ouredník
7 augustus 2017

Een kanjer

Over 'De tandeloze tijd 6 : Kwaadschiks' van A.F.Th. van der Heijden

Verwant