Herman de Coninck: Een aangename postumiteit ? Brieven 1965-1997

Schrijven in de nacht

Na de dood van Herman de Coninck in 1997 schreef Kristien Hemmerechts Taal zonder mij, waarin zij aan de hand van zijn gedichten een beeld van de dichter en echtgenoot gaf. De gedichten en het proza van De Coninck is al uitgegeven en daar is nu een kloek boek bijgekomen: Een aangename postumiteit ? Brieven 1965 – 1997. Gelukkig maar, want het is een van de mooiste brievenboeken die ik ken. 

De Coninck schreef duizenden brieven en heeft in een van die brieven al aangegeven dat er later een strenge selectie uit gemaakt moet worden. Dat heeft Annick Schreuder, samen met Kristien Hemmerechts en zijn literaire vrienden Piet Piryns en Benno Barnard, dan ook gedaan. Ze hebben alles teruggesnoeid tot een dikke 800 bladzijden. In de verantwoording legt Schreuder uit dat er sommige passages uit brieven gehaald zijn, dat sommige ontvangers beschermd zijn door hun namen weg te laten en dat al te intieme stukken die nogal confronterend kunnen zijn voor mensen die nog leven vervangen zijn door vierkante haken. Je zou dan al snel het idee krijgen dat je te maken hebt met een slap aftreksel van wat het had kunnen zijn, want de scherpe kantjes zijn immers weggepoetst, maar niets is minder waar. Je leest Een aangename postumiteit en je krijgt een totaalbeeld van de dichter Herman de Coninck, de kwade, de lieve, de twijfelende, de berouwvolle, de ironische en de hardvochtige.

Zijn persoonlijke leven is voor De Coninck altijd een inspiratiebron geweest. Een niet erg makkelijk leven: zijn eerste vrouw kwam om bij een auto-ongeluk, waarna hij zijn zoon alleen moest opvoeden, zijn tweede vrouw liep bij hem weg waarna hij in een crisis terechtkomt en bij zijn derde vrouw, Hemmerechts, vindt hij uiteindelijk rust en berusting ondanks opflakkerende meningsverschillen. Dat vind je allemaal in de brieven terug: soms stort hij zijn hart uit, soms troost hij vrienden die iets soortgelijks meemaken.

Als dichter werd De Coninck steeds bekender, meer in België dan in Nederland. Alhoewel hij door Van Oorschot en De Arbeiderspers wordt uitgegeven heeft hij toch sterk het gevoel dat men hem in Nederland niet waardeert. Hier draait het om taalspelletjes en ingewikkelde constructies die niemand snapt, terwijl De Coninck meer de man was van de begrijpelijke poëzie. 

De Coninck komt in zijn element als hij overstapt van de Humo waar hij journalist is, naar het Nieuw Wereld Tijdschrift het literaire blad waarvan hij de ziel werd. Van dat blad wil hij het beste blad maken in de Nederlandse taal, een blad dat ook essays wil plaatsen van grote schrijvers uit de hele wereld. Hij correspondeert met Josef Brodsky, V.S. Naipaul en Antjie Krog en bedelt hen stukken af. Hij zegt er vaak bij dat hij niet het honorarium van Playboy kan betalen, maar dat zijn blad de vergelijking met het Britse Granta ruimschoots kan doorstaan.

Komisch zijn ook de afwijsbrieven die hij schrijft aan would be-dichters die pogen hun verzen aan het NWT te slijten. ‘U schrijft adembenemend slechte poëzie. Ik ben nochtans heel wat gewend op dat gebied. U moet maar eens een andere hobby nemen.’ En als hoofdredacteur poogt hij af en toe om grote adverteerders binnen te halen. Zo stelt hij de directie van de Waterman-pennen een reclamecampagne voor in ruil voor gedichten. Als voorbeeldgedicht stuurt hij alvast het volgende:

‘Ik doe ’t wel eens met Bic. Kater van.
Mij concentreren zoals alleen een pater kan,
lukt mij slechts met mijn Waterman.
O, inspiratie, klater dan!’

De directie gaat niet in op zijn voorstel.

Een aangename postumiteit is een allesomvattend zelfportret in brieven. Elegant geschreven en daarom aangenaam om te lezen. Zo aangenaam dat ik er af en toe laat door op bed kwam. Het werd een paar keer ongemerkt drie uur ’s nachts. Een mooie tijd om De Coninck te lezen, want ook hij leefde pas op in de nacht.

Van een totaal andere orde zijn de brieven die W.F. Hermans schreef aan zijn uitgever Geert van Oorschot. Eerder verschenen al de brieven van Van Oorschot aan de schrijver (Hierbij de hele god in proef) en die waren op een paar enthousiaste brieven van Van Oorschot niet om door te komen, omdat Hermans zijn uitgever dwong om alleen maar in te gaan op de verkoopcijfers, foutieve drukproeven, slordige afrekeningen, onregelmatigheden in de tekst en geknoei met de buitenlandse rechten voor zijn boek. Nu lezen we alles van de andere kant. Kruideniersproza van de bovenste plank met als dieptepunt een ruzie over een zoekgeraakte foto van Hermans, waarvoor die dan 50 gulden in rekening brengt, die Van Oorschot natuurlijk niet wil betalen, waarop Hermans begint te stoken bij vrienden, enzovoort enzovoort.  De enige persoonlijke en intieme brief die hij aan Van Oorschot schrijft, het is begin 1954 en de relaties zijn nog relatief goed, gaat over zijn doodgeboren kind. ‘Toen zij naar de kliniek gebracht was en daar in de verloskamer lag, zei ze nog: “Hoe moet dat nu, we hebben vergeten de kleertjes voor het kindje mee te nemen.” Ik wist toen al dat dit kindje ook mèt kleertjes niet meer warm zou worden.’
Zaten er maar meer van dat soort brieven in, maar helaas is dat niet het geval: de rest is voer voor literatuursociologen.

Coen Peppelenbos

Herman de Coninck: Een aangename postumiteit ? Brieven 1965-1997
Samengesteld en geëditeerd door Annick Schreuder. Arbeiderspers, Amsterdam, 862 blz. €24,95

Willem Frederik Hermans: Je vriendschap is werkelijk onbetaalbaar ? Brieven aan Geert van Oorschot. Bezorgd door Nop Maas. De Bezige Bij, Amsterdam, 325 blz. € 29,50

 

Recent

21 september 2018

Schrijven met de veer van de arend

Over 'De onzorgvuldig geketende Prometheus' van André Gide
20 september 2018

Alleen of samen, in- of exclusief?

Over 'Vrouwen en macht' van Mary Beard
19 september 2018

Omdenken in optima forma

Over 'De olifant van de bovenbuurman' van Rijswijk, van, Roos
18 september 2018

Taal die bezinken moet en verwondering oproept

Over 'Laat de stilte' van Rui Cóias
17 september 2018

Twee meisjes en een oudere man

Over 'Twee meisjes en ik' van A.H. Nijhoff