26 januari 2004

Gran Café Boulevard van Thomas Lieske

besproken door Pantippel, lid sinds 27 augustus 2003

Het komt geregeld voor dat ik een boek niet direct mooi vind, terwijl ik weet dat er ergens iets moet zijn dat wel degelijk goed is. Gran Café Boulevard van Thomas Lieske is zo'n boek. Er zit overduidelijk vakmanschap in de beschrijvingen en het verhaal en de personages zitten goed in elkaar. Maar toch hapert er iets. Wat?

Het is net na de oorlog. Alexander Rothweill, een vervalser van paspoorten en andere documenten, ontmoet de Spaanse Pilar “Pili” Eguren, dochter van omgebrachte anti-Franco-intellectuelen. Bij de eerste kennismaking besteelt Rothweill Pili, maar zij heeft hem wel door. Wanneer ze elkaar later weer tegenkomen, bloeit een romance op. Pili is vastbesloten Alexander ooit terug te bestelen.

Hoewel Rothweill zijn vervalsingswerkzaamheden goed en geheim uitvoert, komt er toch iemand achter. Hij moet Spanje ontvluchten, en omdat hij Pili niet kwijt wil vervalst hij een arrestatiebevel voor haar. Op weg naar de grens met Frankrijk ontdekt Pili dat haar minnaar niet is wat hij lijkt:

'Heb jij twee paspoorten?' vroeg Pili na een tijd.
'Ja. Ik heb twee paspoorten. Eén met pruik en één kaal.'
Het luchtte haar op. Twee paspoorten: dat was niet normaal voor een spuugvervelende antiquair. Laat hij nu mijn meesterdief zijn, dacht ze.

Pili is gefascineerd door het klandestiene schaduwleven van Alexander. Langzaamaan komt ze achter zijn geheimpjes. Ze ontdekt dat hij een pruik draagt omdat hij kaal is, dat hij een grote koffer vol vervalsersbenodigdheden bezit en dat hij helemaal geen Alexander Rothweill heet. Dat laatste ontdekt ze wanneer hij met haar naar Nederland reist, naar de polders bij Zoetermeer. Daar woont Alexanders broer Fedde Albronda, een zonderlinge kluizenaar met een voorliefde voor vleermuizen.

Pili en Taco Albronda, want zo heet Rothweill óók, trekken bij Fedde in. Het is het begin van een ingewikkelde strijd tussen het gewone en het bijzondere. Fedde is de 'gewoonheid' zelve: hij doet precies waar hij zin in heeft en staat daarmee lijnrecht tegenover broer Taco, die zichzelf een mondaine houding, dure schoenen en een maatpak heeft aangemeten. Maar Fedde is tegelijk buitengewoon: de buurt waar hij woont kijkt hem met de nek aan en denkt dat hij gek is.
Pili staat er tussenin, vol bewondering voor het bijzondere van zowel showman Taco/Alexander als de ruige Fedde. Eigenlijk is zij de enige 'gewone' persoon in deze roman, voorzover je van 'gewoon' kunt spreken bij een kittige Spaanse die eigenlijk alleen van de schijn van bijzonderheid van Taco/Alexander houdt.

Tot zover. Het verhaal zit goed in elkaar, al zijn de parallellen wel heel duidelijk aan te wijzen. Door het hele boek heen spelen de tegenstellingen gewoon-bijzonder en schijn-wezen een grote rol. Dat niets is wat het lijkt wordt duidelijk uit de pruik van Alexander, de vervalsingen die hij maakt, het pak dat hij draagt. Het verraderlijk drijvende veen in de polder is ook niet wat het lijkt: het is geen vaste grond, maar bestaat uit drijvende eilandjes, waar je al te gemakkelijk doorheen zakt.

Niemand kan de schijn ophouden in Gran Café Boulevard, zoveel is glashelder. Wat dat betreft is de roman eigenlijk best heel mooi en goed: er is over nagedacht, de thema's zijn uitgewerkt en alles sluit op elkaar aan. Alleen het einde, waarin teveel dingen tegelijk tot een climax komen, doet geforceerd aan.

Maar wat is het dan precies dat mij doet aarzelen over het oordeel over dit boek? Het innerlijke raamwerk is dik in orde. Het moet haast wel de buitenkant zijn.

Bij nader inzien is het inderdaad de buitenkant: de vorm van Gran Café Boulevard. De stijl bevalt me niet. Deze is on-Nederlands weids en wijdlopig, wat op zich geen probleem hoeft te zijn, maar in sommige zinnen raak ik verstrikt en dat irriteert me:

Toen de goliath zich omdraaide om Taco beter te bekijken, schopte hij met een van zijn laarzen tegen de poot van een stoel, die met een kraak in een andere positie ten opzichte van de tafel draaide en, als was het een opgejaagde partizaan die opzij springt voor een flitsend mes en tegelijk een aanvallende houding aanneemt, zijn poten in een spreidstand zette.

Dit is niet nodig. Vergelijkingen zijn vaak mooi en goed gekozen ook functioneel, maar een uitweiding als deze vind ik onnodig. De zin klopt grammaticaal prima, maar wanneer ik maar liefst drie bijzinnen ontdek (misschien nog wel meer) in dezelfde zin, haak ik af.
Natuurlijk is niet het hele boek op deze manier geschreven. In veel passages zit vaart, maar die gaat eruit zodra men een zin als deze tegenkomt. Misschien duurde het daarom ook wel zo lang voordat ik het boek eindelijk uit had. Wie houdt van het werk van langezinnenschrijvers als Thomas Mann is met Gran Café Boulevard allicht in zijn nopjes. Maar mooischrijverij die ontspoort kan nooit de bedoeling geweest zijn.

Meer van :

17 augustus 2017

Gedichten die op afstand blijven maar ook weten te ontroeren

Over 'De wereld onleesbaar' van Jeroen van Kan
11 augustus 2017

Zorgenkind of zondagskind

Over 'Herinneringen in aluminiumfolie' van Jamal Ouariachi
9 augustus 2017

Wachten op Godot aan de Moldau

Over 'Een afgedane zaak' van Patrik Ouredník

Recent

7 augustus 2017

Een kanjer

Over 'De tandeloze tijd 6 : Kwaadschiks' van A.F.Th. van der Heijden
4 augustus 2017

Wondranden

Over 'Een tuin in de winter' van Anna Enquist
2 augustus 2017

Jannie Regnerus gebruikt geen woord te veel

Over 'Nachtschrijver' van Jannie Regnerus
31 juli 2017

Het gitzwarte leven

Over 'Noordwaarts' van Naomi Rebekka Boekwijt
28 juli 2017

Het lot van een niet-joodse jood

Over 'Buster Kafka' van Martin Schouten

Verwant