Berichten, bezweringen, Geert Van Istendael

Geert van Istendael (1947) bracht eind 2006 de dichtbundel Berichten, bezweringen uit. De vraag ‘Le monde est tien, comment peut-il n’être pas beau?’ uit Les sept solitudes van Oscar Venceslas de Lubicz Milosz, werd als motto opgenomen. Wat dubbelzinnig, want hoewel die uitspraak bemoedigend klinkt, is hij naar vorm vooralsnog een vraag. Bovendien een die de aanwezigheid van het tegendeel en het besef daarvan bij de aangesprokene impliceert. De uitroep wil dan het bewustzijn doen doordringen dat er niets verloren is, integendeel, de aangesprokene zou zich beter strijdbaar opstellen. Het is immers ‘zijn’ wereld. Die verwevenheid van ‘het schone’ en ‘het lelijke’ (weliswaar een te eenvoudige voorstelling door de bipolariteit ervan), en de daaraan verbonden aanzet tot strijdbaarheid ? ‘Uit alle ramen kijkt een groot geduld, / in alle straten hinkelen de meisjes, / laten wij redden wat te redden valt.’ ? legt Van Istendael in Berichten, bezweringen.

De proloog, die bestaat uit het gedicht ‘Definities’, borduurt voort op deze gedachte. Dertien keer geeft de dichter daarin zijn begripsbepaling van gedichten. Het definiëren verloopt niet rechtstreeks, maar steevast langs een zeker poëtisch beeld; de definitie is geen bepaling of omschrijving maar eerder een benadering, een ‘zoals’: ‘Gedichten zijn radioberichten opgevangen / door open ramen. // Gedichten zijn dyslectische barsten die / spijkerschrift verhelderen. // Gedichten zijn vonnissen geschreven / op de achterkant van liefdesbrieven.’ Van Istendael geeft voorbeelden zonder het lemma zelf exact te duiden ? wellicht de enige mogelijke aanpak. Wat opvalt in ‘Definities’ is dat de daarin vermelde gedichten geboren worden uit een soort toevalligheid, een (on)gewone samenloop van omstandigheden, niet zelden vanuit het samengaan van ‘het schone’ en ‘het lelijke’. De dichter is dan degene die zich bewust wordt en is van de aanwezigheid van dat ‘schone’ tussen ‘het lelijke’, of die voldoende opmerkzaam is om ‘het schone’ te zien ? en zijn tegendeel eveneens.

De epiloog ? het gedicht ‘Examenvragen aardrijkskunde’ ? die Van Istendaels bundel afsluit, gaat dan weer uit van de dichter en zijn land, de taal. De gedachte die met betrekking tot gedichten wordt geopperd in de proloog vindt hier een tegenhanger: ‘Eist zijn vaderland een paspoort met stempels? / Krijgen de woorden vanzelf niet het recht / van alle geborenen, tot hen en met hen / die stemloos vergaan in de Holen van Onbruik? // […] // Of is de dichter een boer, zuinig met woorden, / die op zijn roggeakker, seizoen na seizoen, / staat te wroeten, tot hij de spade neergooit / en zijn gewas ziet verdwijnen // onder papavers?’ Van Istendael introduceert het onderscheid tussen gewassen en onkruid, maar lijkt zelf niet te willen kiezen. De boer is zuinig met woorden bij het in toom houden van zijn akker; die spaarzaamheid verdwijnt wanneer hij de dingen loslaat. De confrontatie die dan volgt is er een die realistischer is, die doet denken aan het samengaan van ‘het schone’ en ‘het lelijke’ uit de proloog. De poëzie is geen quarantaine, is geen geïsoleerd paradijs waar ‘bleke tuiniers met dun gif / de woorden die woekeren buiten hun boeken’ verdelgen. De poëzie is strijdbaarder, net als de dichter.

Tussen de proloog en de epiloog verdeelt Van Istendael zijn gedichten in drie luiken: ‘Gebruiksvoorwerpen’, ‘Fatma of de monumentenzorg’ en ‘Gevonden voorwerpen’. In de afdeling ‘Gebruiksvoorwerpen’ beperkt Van Istendael zich veeleer tot vingeroefeningen. Hij treedt eerder beschrijvend op, kent de dingen spitsvondig bepaalde eigenschappen toe, en weet ze wel tot leven te wekken, maar het overleven is ze niet gegund. Alleen ‘Aarden kom (ca. 5000 v. C.)’ is in staat echt de aandacht op te eisen. Door het ruwweg zevenduizend jaar oude, alledaagse voorwerp en zijn al even oude maker en gebruiker bijna achteloos te verbinden met onze tijd, ontmaskert de dichter een stukje universaliteit en eeuwigheid: ‘We weten welke vrezen hij bedwong, / al zevenduizend jaren zijn ze jong.’ De overige gedichten overstijgen het poëtisch woordspelige niet echt, en herbergen weinig dat de bundel in zijn geheel kan opwaarderen.

Dat soort berichten verkrijgt in ‘Gevonden voorwerpen’ al wat meer inhoud. Terwijl het verzamelen van gedichten die voor zoveel verschillende gelegenheden werden geschreven bijna steeds afbreuk doet aan het geheel dat een bundel droomt te zijn, gaat Geert van Istendael hier net iets verder. De voorspelbaarheid wordt vervangen door een zekere dynamiek. De dichter speelt met het tijdsverloop en de stemmen van zijn pen, doet de nodige stappen die hem in staat stellen te observeren en op te merken. De dynamiek die daardoor in de gedichten sluipt is wat een bekommerde en gepassioneerde Van Istendael zo kenmerkt. Hier is hij weer de scherp schrijvende dichter, de poëtische essayist, en haakt hij zijn gedichten aan elkaar. Hij haalt het creationisme binnen in zijn gedichten, architectuur, de stad, de toekomst… Het web dat in de voorafgaande afdeling, ‘Fatma of de monumentenzorg’, wordt gesponnen, krijgt hier uitlopers, kleverige vertakkingen van wat in het web dreunend aanwezig is.

Dat web, het luik ‘Fatma of de monumentenzorg’, is veruit het sterkste uit de bundel. Daarin laat Van Istendael Fatma, een zeventienjarig Marokkaans meisje, samen met de vijftiende-eeuwse architect (van onder meer de toren van het gotische stadhuis in Brussel) Jan van Ruysbroeck door Brussel en de eeuwen zweven. De berichten worden bezweringen. In tweeëntwintig bladzijden schetst de dichter de geschiedenis van de stad en haar oude stenen, ‘dit wangedrocht, mijn stad, verkocht, gebroken en vertrapt’. ‘Het brede daveren dat vooruitgang heet’, ‘de stem van het gewin’, heeft onverbiddelijk, geheel gespeend van enig esthetisch besef, respect of medelijden de stad getransformeerd tot vernielde lanen, ‘lege loodsen, zwerfvuil’…

  ‘ […]
  Dit is niet Warschau, Dresden, Rotterdam,
  door zwermen vreemde horzels opgevreten
  in loden oorlogstijd. In vredestijd
  slokt deze stad zichzelf op, kotst zich uit,
  het braaksel van de braak verzuurt de straten,
  de etter van het geld barst uit kantoorgebouwen,
  de wonden van de stad genezen nooit,
  ze zwemt in geld en toch is ze berooid.’

Wanneer Jan van Ruysbroeck tijdens zijn tijdruimtelijk grensverleggende tocht met Fatma door Brussel de ingenieur Claude Fisco, die in de achttiende eeuw het Martelarenplein liet aanleggen, ontmoet, ontsteken beiden in woede.

  Ze grijpen Fatma vast aan beide armen,
  ze schudden haar hardhandig door elkaar,
  haar jonge beenderen rammelen als knekels,
  haar hersenkronkels winden af en op,
  ze voelt zich volgebouwd, bestraat, gesloopt.

  De twee laten haar los. Ze valt. Staat op
  en kijkt. Ze ziet de stad met nieuwe ogen,
  dit is háár stad, een andere heeft ze niet.
  Haar hart doet zeer. Arm Brussel. Fatma huilt.

Van Istendael heeft met ‘Fatma of de monumentenzorg’ een meeslepende ode aan Brussel geschreven. Een hekeldicht, dat ook, vol gal en woede, vol lelijkheid en droefenis, maar met een groot hart voor de stad. Hij besluit de cyclus van woede en razernij dan ook met een uiting van hoop: ‘Ís Brussel nog wel stad? Het zal de stad / van Fatma zijn en zoveel andere meisjes. / […] / De nieuwe tijd / zal broos zijn, mozartiaans als dagdromen van meisjes, / of niet zijn. Ga en zorg. Elk monument een meisje.’ Aan die meisjes, ‘alle meisjes van mijn stad’, draagt Van Istendael zijn bundel op.

Laten wij redden wat te redden valt!
‘Geniet. Vandaag. De toekomst heeft al vlam gevat.’

Geert van Istendael, Berichten, bezweringen. Uitgeverij Atlas, Amsterdam/Antwerpen, 2006.
 

Recent

19 oktober 2018

De man die wachtte

18 oktober 2018

Een strijdbare vrouw

17 oktober 2018

Snippers vol belofte

Literair Nederland - 10 jaar geleden

28 oktober 2008

Kwetsbare poëzie

Recensie door Wouter

De nieuwe bundel van dichter en journalist Hilbrand Rozema kent lange zinnen van weinig woorden. En zoals een Groninger betaamt, heeft die aan een half woord genoeg. Hoewel, weinig halve woorden, want Rozema floreert in taligheid. Dit brengt enerzijds prachtige constructies met zich mee, zoals de eenvoudige maar prachtige beginzinnen van de vierdelige cyclus ‘Losgeregende bloesems’: ‘Het licht van de zon / op de losgeregende bloesems.’

Lees meer