Altijd weer dit leven, Pieter Boskma

Het verlangen naar hevigheid

Wie Pieter Boskma zegt, zegt Maximalen en wie Maximalen zegt, zegt Joost Zwagerman. Het is dan niet toevallig dat Zwagerman een bundel met gedichten van Boskma samenstelt en in een aanvullend essay als enthousiast pleitbezorger van diens poëzie optreedt. Boskma, dichter van lyriek uit het hart, van de vitale poëzie, wordt geïntroduceerd door Zwagerman die de lezer de poëzie wil laten beleven. De keuze van Zwagerman is gedaan uit het arsenaal aan bundels dat Boskma inmiddels uitgegeven heeft; van de bundel Quest uit 1987 tot en met Puur uit 2006. De titel Altijd weer dit leven is afkomstig uit de bundel Simpel heelal waarin het voorkomt als titel van een uitgebreide cyclus van drie gedichten. Het motto bij deze cyclus is van Dylan Thomas:

‘Oh as I was young and easy in the mercy of his means,
Time held me green and dying
Though I sang in my chains like the sea.’

In de titel klinkt de verzuchting door die we ook lezen in het gedicht ‘Fern Hill’ van Thomas, een gedicht over pril geluk, over het verlies van de kinderlijke onschuld en de bewustwording van de eigen sterfelijkheid. In de gebruikte strofe, de laatste in het gedicht, wordt deze onschuld gerelativeerd. Het zingen in ketens, als de zee: altijd weer dit leven. Het geeft tegelijkertijd iets weer over het verlangen naar hevigheid, het ‘ontketenen’ om het maar zo te zeggen. Hier dichtte Boskma al over in het vroege bundeltje Virus, virus, dat hij samenstelde met bevriend dichter Paul van der Steen:

‘Soms na een werkdag voor het huis
verbeten naast elkaar gezeten
wordt een schedel wel gespleten
en verkoold in het fornuis:
één verdomt het eeuwig amen.
Maar het wordt steeds weer dag en blijft bij beramen.’

En hier komt de laatste regel weer terug als de relativering zoals we die ook bij Thomas lazen. ‘Maar het wordt steeds weer dag…’ ofwel: altijd weer dit leven.

Deze tegenstelling is typerend voor Boskma werk. De contrasten zijn groot, hij schrijft opzwepende, muzikale verzen in alledaagse taal over mythische zaken in een ordinaire wereld. Antropologische expedities brengen hem en zijn poëzie naar alle uithoeken van de wereld, maar de tegenstelling blijft, zoals tussen thee in Japan en Holland, tussen cafés in Granada en Lapland. Boskma’s poëzie is onvoorspelbaar, soms platvloers, origineel, verheven of alledaags maar… altijd onvoorspelbaar. Sommige gedichten lezen als een dagboek door het vele ik-gebruik, andere als een poëtica. Maatschappelijk geëngageerd willen ze niet zijn, maar herkenbaar en treffend wel. Desalniettemin overtuigt de poëzie niet altijd, bijvoorbeeld wanneer Boskma aanleunt tegen Herman Gorters poëzie, waar hij op z’n zachts gezegd door beïnvloed is.

Je bent zo stil en zacht dat ik
zo stil dat ik zo zacht en dat
je bent zoals ik soms opeens
en dan van kleuren heel de nacht
en dat er stil een zachter ik
dan jij opeens gesloten lacht

Het bekende ‘Ik vin je zoo lief en zoo licht’ druipt van de woorden. Of het mooi is, jazeker, maar té herkenbaar, wellicht te gemakkelijk. Boskma speelt niet alleen met de stijl van Gorter, hij kopieert hem bijkans. In het aanvullende essay ziet Zwagerman dat anders, van hem mag het allemaal. Een heel duidelijk argument geeft hij er niet voor. Zwagerman: “de sensitieve verzen van Gorter worden in ere gehouden maar tegelijkertijd onherroepelijk vermengd met het overbewustzijn dat de dichter van de eenentwintigste eeuw aankleeft.” En jawel, hij geeft toe dat Gorter soms opzettelijk wordt verbasterd, maar zet dat aan de kant als een ‘plagerij’. Dat Boskma een goed imitator is, zo leert Zwagerman ons, bleek wel toen er plotseling twee gedichten van Achterberg in het blad Awater opdoken. Uiteindelijk werd duidelijk dat redactielid Boskma ze geschreven had; ze waren echter zo misleidend dat er door verschillende critici hevig enthousiast op werd gereageerd. Later mokte onder andere Marjoleine de Vos in de NRC over deze lichtzinnige grap; ze vond dat de redactie van Awater de poëzie tot kermisattractie maakte.

Uitsluitend Maximaal is Boskma niet. Hij is authentiek en eigenzinnig. Hij neemt risico’s in zijn zoektocht naar hevigheid. Maar ook grijpt hij terug op voorgangers, op Nijhoff, Achterberg, Marsman en soms op Lucebert. De poëzie is expliciet, knarsend hard of teder zacht. Naast Maximaal is hij misschien vooral een romanticus. Maar ook dat gaat weer niet volledig op, want het mytische ‘Meisje’ stapt heel aards in de tram, engelen masturberen of hij hoort het geluid van de buurman:

‘De tijgers achter het behang
trekken hun nagels al in.
Gebrul? Welnee. Buurman. Wc.’

Hij maakt wilde bewegingen, laat zich niet in keurslijf vangen maar schrijft gedichten, bundels die bestaan uit contrasten alsof zij steeds uit hun voegen wil breken. We lazen daarnet de woorden van Boskma in de stijl van Gorter. Het gedicht slaat na de zojuist geciteerde strofe om, even onvoorspelbaar als al zijn gedichten:

‘Je bent zo kil en hard dat ik
zo kil en ook zo hard en dat
je bent zoals ik ook opeens
niet langer meer wil zijn.’

Onvoorspelbaar dus, worstelend tussen schijn en werkelijkheid. Een bijzondere bundel, over het verlangen naar hevigheid. Omdat er zoveel is, maar altijd weer dit leven. Of: “Though I sang in my chains like the sea.”

Pieter Boskma, Altijd weer dit leven (Prometheus, Amsterdam 2006)

Recent

17 januari 2018

Rusland, mijn Rusland

12 januari 2018

Voelen met verstand

Literair Nederland - 10 jaar geleden

21 januari 2008

Een verhalendebuut
door Bernadet

Het blijft altijd lastig een verhalenbundel te bespreken hoewel door deze verhalenbundel een rode draad loopt. Op de flaptekst staat: De personages in deze verhalen treden elke dag de wereld monter tegemoet, om dan altijd weer te ontdekken dat het leven tegenstrijdige eisen stelt. De situaties waarin ze terechtkomen zijn verwarrend – tragisch voor hen, vaak hilarisch voor de lezer.

Lees meer